Ook na de oorlog bleef Hebe in verzet

Oorlogsheldin Hebe Kohlbrugge (1914-2016) moest tot het eind van haar leven terugdenken aan haar doodsangst in Kamp Vught.

Hebe Kohlbrugge in 2009 (links). In 1975 kreeg ze (rechts) de Joost van den Vondelprijs voor ‘grensoverschrijdend handelen’ na de Tweede Wereldoorlog. Naast haar de Duitse president Gustav Heinemann. Foto links Daniëlle van Ark

Hebe Kohlbrugge had geen televisie en naar de bioscoop ging ze nooit. Niet omdat ze orthodox christelijk was of zo, het paste gewoon niet in haar leven. Des te verbaasder was ze toen ze vorig jaar, ze was 101, het tekenfilmpje te zien kreeg dat de zoon van een vriend over haar had gemaakt, Aufseherin. Hoe was hij daar nou bij gekomen?

Die vriend was Piet van Veldhuizen, predikant in Hendrik Ido Ambacht. Hebe Kohlbrugge had een preek van hem bijgewoond en na afloop had hij vanaf de kansel gevraagd of zij ook nog wat tegen de gemeente wilde zeggen. Ze was naar voren gekomen, een klein vrouwtje, nog verrassend snel, en had over haar angstaanjagendste ervaring uit de oorlog verteld. Ze was opgesloten in Kamp Vught, maar onder een valse naam en met een vals verhaal, en een van de bewaaksters wist dat. Doodsbang was ze geweest dat die vrouw haar zou verraden, de Duitsers zouden haar geëxecuteerd hebben, na langdurige martelingen om informatie over het verzet uit haar te krijgen. Maar die bewaakster, zei Hebe Kohlbrugge tegen de kerkgemeente, had dat dus niet gedaan. Temidden van al het kwaad was er een vrouw geweest die iets van menselijkheid getoond had. Wat had ze graag nog eens de kans gekregen om haar daarvoor te bedanken.

Het filmpje, het duurt vijf minuten, vertelt hoe Hebe Kohlbrugge vanaf april 1942 microfilms met geheime informatie over het verzet de grens over smokkelde, bestemd voor de Nederlandse regering in ballingschap. In 1944 werd ze in de trein gearresteerd, haar persoonsbewijs werd herkend als een vervalsing. Tegen haar Duitse ondervrager hield ze vol dat ze een Reichsdeutsche was en Christine Doorman heette en zo’n heimwee naar haar verloofde in Zwitserland had dat ze naar hem op weg was gegaan. Hij geloofde haar omdat ze zo goed Duits sprak. Ze kreeg straf omdat ze zich niet bij de Nederlandse autoriteiten had gemeld en haar tewerkstelling had ontlopen. Zo werd ze als Christine Doorman via Kamp Vught naar Ravensbrück gestuurd, terwijl Hebe Kohlbrugge werd gezocht voor veel ernstiger misdaden, in de ogen van de Duitsers dan.

„Het mooie is,” zegt Piet van Veldhuizen, de predikant uit Hendrik Ido Ambacht, „dat de dochter van die kampbewaakster zich nog gemeld heeft, en toen heeft Hebe haar bedankt. Het was voor het eerst, zei de dochter, dat ze iets positiefs over haar moeder had gehoord”.

Hebe Kohlbrugge werd in 1914 in Utrecht geboren en vertrok na de hbs naar Berlijn om zich een oordeel te vormen over het opkomende nationaalsocialisme. Ze raakte betrokken bij het verzet door haar werk voor de kerk. Meteen na de oorlog ging ze vredeswerk doen in Duitsland. Typisch Hebe, volgens haar vele vrienden. Ze wees totalitaire regimes af, dus ook het communisme, en apartheid, en ze veroordeelde de behandeling van Palestijnen door Israël, maar ze wees geen mensen af.

Ook typisch Hebe: dat ze haar hele leven een verzetsvrouw bleef. Piet van Veldhuizen – in de jaren 80 een van de theologiestudenten die door haar naar het Oostblok werden gestuurd om contact te houden met kerken en dissidenten – vertelt hoe ze op een dag bij hem voor de deur stond met 600 gulden en zei: jij gaat morgen naar Praag en daar geef je op die en die plek aan die en die mensen de code ‘niet opa, niet oma, maar juni’. „Verder kreeg ik niets te horen, want dan zou ik bij een eventuele arrestatie mezelf en anderen in gevaar kunnen brengen.” Nee, ze vroeg niet of hij wel wilde. Dit moest gewoon gebeuren. Er was een lading studieboeken bij de grens onderschept en het netwerk moest gewaarschuwd worden.

Ze trouwde nooit en kreeg geen kinderen. „Daar heb je geen belangstelling voor als je steeds dieper in het verzet raakt”, zei ze ooit in een interview. „Geen tijd, geen zin, geen aandacht.” Ze woonde samen met haar zuster Hanna, hoogleraar Iraanse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. En nadat die in 1999 was verongelukt woonde ze alleen. Maar eenzaam was ze nooit. Door al het werk dat ze had gedaan, en bleef doen, kende ze zoveel mensen dat ze bijna elke dag bezoek kreeg. De laatste jaren werd ze geholpen door haar buren en mensen van de kerk. George van Santen, gepensioneerd huisschilder, reed haar waarheen ze wilde en keek af en toe of er geen bedorven eten in de koelkast stond. Ze stierf in haar slaap, in het ziekenhuis, waar ze was opgenomen met hartklachten.