Kermis in de hel voor een ijzersterk kabinet

Hun vakmanschap werd bewonderd. Maar Rutte en Asscher waren kwetsbaar omdat zij geloven in de gevestigde orde, schrijft onze politiek columnist Tom-Jan Meeus.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

1

In het Torentje, op bezoek met een groepje journalisten, zag ik een paar jaar terug Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull (1954) op het bureau van Mark Rutte liggen. Een schelmenroman van Thomas Mann over een oplichter annex charmeur, die andermans zwaktes intuïtief aanvoelt en daarvan achteloos gebruik maakt.

De ironie was natuurlijk dat elementen van dit gedrag ook zaten in de wijze waarop de premier, de sms’ende allemansvriend van Den Haag, tijdens Rutte II al die akkoorden aan elkaar praatte.

Hij luistert, hij maakt zich klein, hij taxeert, hij biedt comfort. Daarna is zijn gesprekspartner verkocht.

Diederik Samsom werd in 2012 meteen weekhartig toen hij deze behandeling kreeg. Alexander Pechtold deed vaak stoer maar had er ook een enorm zwak voor. Zo gingen de meeste fractievoorzitters sinds 2012 voor de bijl.

Bedrogen voelden ze zich nooit. Dat was misschien het knapste. Rutte bleef uiteindelijk altijd de personeelsmanager van Unilever: contact met hem was meteen informeel maar eindigde steevast zakelijk.

Dat laatste zat ook in zijn taal. Als hij zo’n fractievoorzitter vertelde dat hij terug moest naar het Torentje, zei hij niet: ik ga weer naar het ministerie. Of: ik moet naar AZ. Neen, dan zei hij: ik moet naar de zaak.

2

Frappant genoeg vertoonde de levensloop van de premier en de vicepremier opmerkelijke overeenkomsten toen ze in 2012 aan het kabinet begonnen.

Mark Rutte (1967) en Lodewijk Asscher (1974) schelen zeven jaar. In hun jonge jaren, toen ze allebei in betere wijken van Den Haag woonden, volgden ze dezelfde Haagse basisschool, Schoolvereniging Wolters in Benoordenhout, en daarna een Haags gymnasium, vlakbij elkaar.

Zij ontwikkelden er een andere kijk op de wereld, met andere idealen, maar groeiden allebei op met een rotsvast geloof in de vooruitgang.

Hun levens waren getekend door de oorlog. Rutte was het nakomertje van een ondernemer die naar Indië trok, in de oorlog in een Jappenkamp zat, en eind jaren vijftig berooid uit de voormalige kolonie terugkeerde.

Asscher kwam uit een joodse familie van juristen en diamantairs; zijn overgrootvader was tijdens de bezettingsjaren voorzitter van de Joodsche Raad.

Dus als premier en vicepremier kwamen zij vanzelfsprekend op voor de gevestigde orde. De liberale democratie, de rechtstaat. De EU voor Europese samenwerking. De NAVO om de Russen af te schrikken, ook na de Koude Oorlog. De vrijhandel, de globalisering, de open grenzen.

De orde die al zolang een nieuwe oorlog had voorkomen.

3

Het kabinet leunde natuurlijk primair op de as Rutte-Samsom. Zij kozen daags na de verkiezingen van 2012 voor elkaar, in het appartement van toenmalig VVD-senator Loek Hermans. Een groots avontuur gebaseerd op loyaliteit, die zij geen van beiden zouden verloochenen.

Hun analyse: na vijf kabinetten in tien jaar hunkerde het land naar bestuurlijke stabiliteit. Naar soberheid en besluitvaardigheid.

Grote risico’s liepen ze vanaf dag één. De populistische flankpartijen hadden bij de verkiezingen nog steeds 20 procent gehaald. Waarnemers voorspelden hun wederopstanding zodra de hervormingen van Rutte II indaalden.

En toen in de VVD meteen opstand uitbrak, tegen de inkomensafhankelijke zorgpremie, zagen ze in Ruttes omgeving overal partijgenoten uit hun holen komen die eerder Rita Verdonk steunden. Ondanks zijn electorale succes bleef een deel van de VVD Rutte zien als een halve D66’er.

Samsom haalde op zijn beurt Asscher naar Den Haag. Dit was niet alleen altruïsme: in Samsoms omgeving vonden ze een vicepremierschap de beste manier om Asscher voor het partijleiderschap uit te schakelen.

Hij bleek een taai talent. Rutte, Zijlstra én Samsom vonden hem vaak net te handig, maar evengoed was hij de eerste vicepremier in deze eeuw die na zijn kabinetsperiode niet roemloos uit Den Haag verdween. In plaats van hem kon Samsom gaan.

4

Het kabinet had de pech dat het in één keer alle hervormingen moest doorvoeren die sinds de kredietcrisis van 2008 op de plank lagen. Het geloof in de vooruitgang maakte dat ze in dit opzicht veruit de effectiefste regering van de nieuwe eeuw werden. Bijna alles lukte.

Maar die kredietcrisis had het vertrouwen in de gevestigde orde verder ondermijnd. Een vertrouwen dat al sinds de aanslagen van 9/11 en Pim Fortuyn onder druk stond. Zo werd het voor Rutte II óók kermis in de hel.

De hervormingen verhoogden de onzekerheid van burgers. De wankele euro, de Brexit en de Syrische vluchtelingen beschadigden de geloofwaardigheid van de EU en haar open binnengrenzen. De opkomst van IS katalyseerde de afkeer van islam en immigratie. Intussen kozen de VS een president die de Russen bewonderde en aarzeling over de NAVO uitsprak.

Dus terwijl in de Haagse binnenkamers de bewondering groeide voor het vakmanschap van, in die volgorde, Rutte en Asscher, kregen zij te maken met een assertieve oppositie die zich niet alleen keerde tegen hun beleid, maar ook tegen de afspraken en instituties waarmee zij waren opgegroeid.

Wilders, de krachtigste stem van de oppositie, zinspeelde geregeld op een nieuwe oorlog – tegen de islam. Het voornaamste instituut van de democratie, het parlement, noemde hij nep. En toen hij veroordeeld werd, bleek ook zijn respect voor de rechtstaat beperkt.

Hij zinspeelde ook niet meer op vooruitgang, hij zinspeelde op heimwee: grenzen dicht, uit de EU – terug naar de gulden.

Het begon op te vallen: politici met wie Rutte zijn grote deals sloot, sneuvelden daarna vaak.

5

In een visie voor zijn kabinet had Rutte geen zin. Dat vond hij PvdA-gekeuvel. Hij geloofde er niet in dat burgers zich anders gingen gedragen door een praatje van een premier.

Na drie jaar bedacht hij zich. Het kwam goed uit, maar het was gemeend: Rutte trok ten aanval tegen de hyperindividualisering – de Grote Dikke Ik. Weerzin tegen mensen die een voorkeursbehandeling op basis van afkomst eisen. Bankiers met hun bonussen. Lobbyisten van grote bedrijven. Sommige VVD’ers. Kouwe kak.

Het leven was, vond hij, méér dan zelfontplooiing. Je moest iets voor anderen over hebben. De politieke kant ervan was dat hij zo ook Wilders en de nieuwe avonturiers op rechts van repliek diende. Politici met een grote mond maar zonder talent voor inschikken.

Het verklaarde zijn riskante opstelling inzake het Oekraïneverdrag, na het referendum waarin het was afgewezen. Anders dan de tegenstanders hechtte hij wél waarde aan de lessen van de Koude Oorlog: Oekraïne verdiende een kans in Europa, Russen kon je niet vertrouwen, die moest je kort houden.

En soms moet je in de politiek iets doen dat belangrijk is hoewel je er impopulair van wordt, vond hij: soms is politiek groter dan het eigenbelang. „Ik zit hier niet voor mezelf, echt niet”, zei hij oudejaarsdag in Trouw.

6

De nadelen van Ruttes werkwijze begonnen op te vallen: politici met wie hij zijn grote deals sloot, sneuvelden daarna wel erg vaak. Vóór Samsom overkwam het Verhagen (CDA) en Sap (GroenLinks), terwijl ook Wilders na Rutte I wankelde. En de toekomst van Pechtold, zijn loyaalste oppositiepartner in Rutte II, heeft er ook wel eens beter uitgezien.

Veel VVD’ers in zijn omgeving hielden het ook niet vol. In Rutte II behoorden de ministers Schippers, Kamp en Blok tot zijn loyaalste collega’s – ze zijn in maart niet meer verkiesbaar. De kingmaker van de premier, Ivo Opstelten, ruimde tussentijds het veld.

Tekenend genoeg waren alle echte crises van Rutte II conflicten in de VVD-top over de toegeeflijkheid van de premier. Dat begon met die zorgpremie in 2012 – Schippers was woedend. Bij het sociaal akkoord (2013), de bed-bad-brood-crisis (voorjaar 2015) en de nieuwe Griekse steun (zomer 2015) was het Zijlstra die uit zijn dak ging.

Niek Jan van Kesteren, de VNO-lobbyist die met alle premiers sinds Lubbers werkte, vergeleek Rutte graag met Lubbers, de Macher van CDA-huize (1982-1994). Dezelfde intellectuele lenigheid. Dezelfde behoefte om de werkelijkheid te kneden. Dezelfde mentale hardheid.

Dit zijn mensen, vertelde Van Kesteren me vorig jaar, die als ze een deal sluiten nooit denken: „Dat is nou lullig voor die partijgenoot.”

7

Maar de bestuurlijke stabiliteit keerde er wel mee terug, en na vier jaar mogen de resultaten er zijn: de begroting is op orde, de werkloosheid verlaagd, de groei komt weer boven de 2 procent uit. Via de Turkije-deal slaagde Rutte er als EU-voorzitter bovendien in de komst van Syrische vluchtelingen af te remmen.

Toch houdt het enthousiasme van de burger niet over. Bijna 40 procent van de bevolking, aldus het SCP, vindt dat het weer de goede kant op gaat met het land. Najaar 2012 was dit 20 procent.

De PvdA ligt op apegapen. De samenwerking van VVD en PvdA heeft veel burgers hun politieke identiteit ontnomen. Den Haag als één pot nat - waarmee de coalitie vanzelf het verzet tegen de gevestigde orde stimuleerde.

De gelijkenis met Paars II (1998-2002), toen Fortuyn opkwam, drong zich op, zeker door de groei van de identiteitspolitiek, waarbij samenleven (normen en waarden, islam, immigratie, Zwarte Piet, etc.) de economie als voornaamste vraagstuk verving.

Zo eindigt Rutte II als het kabinet van één van de twee Nederlanden die in de nieuwe eeuw zijn ontstaan: het Nederland dat blijft geloven in schappelijkheid en vooruitgang.

Niet het Nederland dat een rigoureus einde wil maken aan de orde waarop het land, net als de levens van Rutte en Asscher, sinds de oorlog is gebouwd.

Tom-Jan Meeus