Recensie

Ieren knipperen niet met hun ogen op een slagveld

‘Een wonder van een boek,’ zei de jury van de Costa Award over de nieuwe roman van de Ier Sebastian Barry. En daarin hebben ze volledig gelijk.

Ontmoeting met de Minatare Indianen bij Fort Clark. Litho van Karl Bodmer (1809-1893) Historical Picture Archive/Corbis via Getty Images

Ondertussen werkt Sebastian Barry gestaag door aan zijn serie romans over twee Ierse families, de familie Dunne en de familie McNulty. Net als zijn voorlaatste roman, De tijdelijke gentleman, wordt Dagen zonder eind verteld door een McNulty. Deze keer is dat Thomas McNulty, die halverwege de negentiende eeuw als jonge puber van Ierland naar Amerika vertrekt om te ontkomen aan de hongersnood die zijn familie het leven heeft gekost.

Ergens in het Middenwesten komt hij de zestienjarige John Cole tegen. In een klein stadje aan de frontier krijgen ze een baantje in de plaatselijke saloon: in vrouwenkleren moeten ze met de mannelijke clientèle dansen – echte vrouwen zijn er niet te vinden. Als ze te oud worden voor dat werk, gaan ze het leger in. Eerst komen ze terecht in de Indianenoorlogen, daarna vechten ze aan de kant van de Noordelijken in de Burgeroorlog.

Laconieke bravoure

Thomas is een verteller vol laconieke bravoure, ook al zit zijn verhaal vol ellende en geweld: er is kou, er is honger, en er zijn gevechten met indianen respectievelijk de Zuidelijken – nou ja, gevechten; in veel gevallen is moordpartijen een betere term. Thomas heeft geen hekel aan zijn tegenstanders, denkt het zijne van het sadisme en de wreedheden waarvan hij getuige is, maar doet wat er van hem wordt verwacht. Al in het begin van het boek legt Thomas uit waarom hij en John Cole ‘slachtpartijen konden aanzien zonder met onze ogen te knipperen’. Het heeft te maken met hun afkomst, het kwam ‘omdat we zelf vroeger niets waren geweest. We wisten hoe we met niets moesten omgaan, daarbij voelden we ons thuis.’

Rauwe, kille dagen, de enige troost is de voortdurende aanwezigheid van John Cole. Mooi hoe Barry (1955) terloops laat merken dat Thomas en John minnaars zijn. (‘En toen hebben we stilletjes geneukt en daarna zijn we gaan slapen.’) Voor verteller Thomas spreekt het vanzelf, dus waarom zou hij er veel woorden aan vuil maken? Na hun diensttijd vormen Thomas en John samen met het geadopteerde indianenmeisje Winona een gezin, het meisje doet het huishouden, haar ‘ouders’ werken in een variététheater, Thomas hult zich steeds grager in vrouwenkleren – en niets daarvan is eigenlijk opmerkelijk volgens henzelf.

Wanneer de Burgeroorlog uitbreekt gaan John en Thomas weer onder de wapenen en maakt de idylle plaats voor gruwelen als veldslagen en krijgsgevangenschap. Boeiend, maar tegelijkertijd dreigt op dit punt voor de lezer enige vermoeidheid op te treden, omdat hij begint te vermoeden dat het boek, hoe goed geschreven ook, niets meer is dan een opsommend levensverhaal waaruit de spanning langzaam wegloopt. Maar nee, dat is gelukkig helemaal niet het geval. Wanneer het koppel zich na de oorlog met Winona vestigt in Tennessee, op de boerderij van een oude legerkameraad, duiken zaken uit het verleden op, oude bekenden, onbetaalde rekeningen. Met andere woorden: Dagen zonder eind blijft spannend tot het, eh, eind.

Wonder

Dat de roman ruim een week geleden werd bekroond met de Costa Award, is dan ook niet meer dan terecht. ‘Een wonder van een boek’, stelde de jury, en inderdaad, het werk van Barry heeft altijd iets magisch. In zijn romans zit altijd wel een aantal magistrale, filmische scènes, en ook in Dagen zonder eind ontbreken ze niet; een bizonjacht, veldslagen, een vloedgolf die zich op een fort stort. In sommige romans hangen dergelijke scènes er een beetje los bij (zoals in De tijdelijke gentleman, 2014), maar in Dagen zonder eind zijn ze een hecht onderdeel van het verhaal.

Het is niet eenvoudig om een ongeletterde verteller geloofwaardig zulke panoramische, meeslepende scènes te laten vertellen, maar Barry speelt het klaar, hij heeft Thomas een prachtige toon meegegeven, laconiek en plechtstatig tegelijkertijd. ‘Ons bloed wordt trager en onze jeugd is opgeheven en we voelen ons bejaarde mannen van vele jaren oud.’

Onvermijdelijk dat in vertaling iets van zo’n toon verloren gaat, maar Jan Willem Reitsma heeft het nodige aan poëzie weten te behouden.