Iedereen maakt plannen, nee hoor je niet

De stemming in Elsendorp

Duizend inwoners telt het dorp – en een school, een huisarts, een voetbalclub. Elsendorpers wachten nooit tot de gemeente iets regelt.

Elsendorp in Noord-Brabant, met linksonder huisarts in ruste en probeemoplosser Jan Hoevenaars. Foto’s Merlin Daleman

„Er is niks en het ligt nergens bij.” Een jonge vader vat de situatie van Elsendorp aardig samen. Als een Legosteentje ligt het kerkdorp in de hoek van de N277 en N272 in Noord-Brabant. Er is geen winkel, voor boodschappen moet je naar Gemert, hoofdplaats van de gemeente – of je moet, zoals deze vader, de biologische boer thuis laten bezorgen.

Maar wacht even: er is wel een peuterspeelzaal, er is wel een school, een tennisclub, een voetbalvereniging, een huisarts, een apotheek. Dit is dan misschien een kleine kern met z’n duizend inwoners en die duizend zijn niet rijker of hoger opgeleid dan de gemiddelde Nederlander, integendeel, maar ze drágen hun dorp.

Het gaat bijvoorbeeld zo, zegt Ietje Zeguers. De deurbel rinkelt en er staat een handjevol dorpsgenoten op de stoep: „We willen je wat vragen.” Ze komen binnen, vertellen dat het buurthuis net is geopend en dat ze een stichting hebben opgericht voor het beheer. Die stichting heeft een voorzitter nodig en zij vinden dat Ietje Zeguers dat maar moet worden.

Dát is Elsendorp, zegt Zeguers in haar rijtjeshuis aan de Kloostertuin. „Je zegt hier geen nee.” En dus werd ze stichtingsvoorzitter. Zoals ze later ook geen ‘nee’ zei op de vraag of zij het dorpswinkeltje wilde beheren dat drie ochtenden per week open was en waar zaterdag koffie werd geschonken voor ouderen. Ten slotte ging het winkeltje toch dicht. „Iedereen deed boodschappen in Gemert.”

Dode links

Overal in Nederland zijn dorpsraden, dorpsoverleggen, dorpsbelangen. Maar je hebt er genoeg waarvan de website een verzameling dode links is, met een Twitteraccount dat in 2013 voor het laatst heeft gekwetterd.

Zoniet in Elsendorp. Hier is het dorpsoverleg resultaat van een krachtdadige dorpscultuur, die misschien wel teruggaat tot de geschiedenis van een ontginningsdorp in de armzalige Peel, waar je moest samenwerken om niet in het moeras te verzuipen. De echo ervan klinkt nog altijd in de verklaring die Maria van der Ligt geeft voor de gezamenlijke inspanning van de bewoners: „Er zijn geen subsidies meer. We weten allemaal dat vrijwilligers nodig zijn, wil je er iets van maken.”

Toen haar man doodziek was, achttien jaar geleden, kwamen elke zaterdag vijf of zes dorpsgenoten de tuin doen. Ze wisten dat Maria van der Ligt er geen tijd voor had, en ze wilden niet dat de tuin zou wegkwijnen.

Tot 2004 mocht in Elsendorp van gemeentewege „anderhalf huis per jaar” worden gebouwd. Toen werd van een boer een deel van zijn land gekocht om 52 kavels aan te leggen voor de jongvolwassenen die in Elsendorp wilden blijven. Nu vormen die huizen Elsendorp-Noord (de bewoners zelf glimlachen om de naam), de meeste hebben ze zelf of samen met de buren gebouwd. Hans van de Wetering (32 jaar, twee kinderen, kweker van graszoden) bouwde de twee-onder-een-kap met de buurman, wiens vader metselaar is. Zijn ene zwager is timmerman, de andere loodgieter, zelf heeft hij veel gesjouwd.

In de tien jaar dat ‘Noord’ er ligt, zijn er zo’n veertig baby’s geboren (goed nieuws voor de school) en er is al een buurtvereniging die baby- en peutergym organiseert.

Klinkt dat benauwend? Dan moet je niet in een dorp willen wonen, zegt Van der Ligt. De enige bewoners die er wat buiten staan, zijn de Polen in het voormalige klooster. Zij werken op de nertsenfokkerij van Jos van Deurzen (plaats 329 in de Quote 500). Smerig werk waar geen dorpsbewoner voor te porren is. De Polen groeten vriendelijk, al spreken ze nauwelijks Nederlands. De overlast (drank, barbecuen, lawaai, kleine diefstallen) is afgenomen nadat de Elsendorpers met Van Deurzen zijn gaan praten.

De klassieke wijkzuster

Zorg, faciliteiten voor de jeugd, sport, gemeenschappelijke, duurzame energie (Buurkracht) – alles lijkt in Elsendorp van onderop te worden georganiseerd. Óvergeorganiseerd soms. De initiatiefnemers van een huiskamerproject voor ouderen botsten op de zorgcommissie van het dorpsoverleg met een soortgelijk initiatief. Dat vond het „niet des Elsendorps” dat de mensen van het huiskamerproject al met de gemeente hadden gesproken Dat zijn ze nu aan het gladstrijken, zegt Ietje Zeguers.

Want ja, de gemeente, die stond in het verleden ver van de Elsendorpers af. „Toen keken we altijd of een probleem via het gemeentehuis opgelost kon worden ”, zegt Jan Hoevenaars, huisarts in ruste. „Maar probleemoplossing ligt eigenlijk hier in Elsendorp, de gemeente faciliteert. We hebben besloten niet naar de problemen te zoeken maar naar de oplossingen.” Hoevenaars heeft bijgedragen aan het oprichten van diverse (sport)verenigingen, hij heeft de functie van ouderwetse wijkzuster teruggebracht en er is nu een werkgroep Zorg: „Ouderen krijgen weer zorg van altijd dezelfde snoetjes, niet van vijf verschillende instellingen.”

Halverwege het gesprek schuift hij het boek Nooit af naar ons toe. Daar staat precies in waar we het over hebben, zegt hij. In het voorwoord: „De veranderingen gaan nu zo snel, dat er geen tijd meer is voor de oude gewoonte ‘Eerst-Lang-Voorbereiden-Dan-Het-Eindmodel’.” Dat is precies wat Ietje Zeguers zei op de vraag waarom Elsendorpers van alle politieke gezindten verenigingen oprichten voor zaken die traditioneel bij de overheid liggen. „De overheid gaat niet snel genoeg.”

In dit dorp van duizend mensen, wonen zo’n veertig ondernemers, zegt Zeguers. Dat zegt veel. Als de Elsendorpers samenkomen, beginnen ze meteen plannetjes te verzinnen. „En voor je het weet is er weer wat aan de gang.”