Het kabinet van de probleemoplossers werd nooit geliefd

Uit iedere crisis – zelf gecreëerd of niet – wist Rutte II zich te bevrijden. Juist dat vermogen maakt het een onbemind kabinet.

De top van de coalitie in november 2012 na afloop van het sluiten van een akkoord over de inkomensafhankelijke zorgpremie. Foto ANP / Phil Nijhuis

Regeerakkoord grotendeels uitgevoerd? Mooi. De economie weer op stoom? Netjes gedaan. De volledige termijn uitgezeten? Knap.

Toch is dat niet waar kabinetten hun plek in de geschiedenis mee verdienen. Ze worden vooral beoordeeld op hoe ze omgingen met wat niet in het regeerakkoord stond: crises en onverwachte gebeurtenissen. Denk aan het kabinet-Den Uyl en de Molukse kapingen en gijzellingen, Lubbers I en de kruisraketten, Balkenende IV en de val van bank Lehman Brothers.

Wie het crisismanagement van Rutte II bekijkt, ziet iets merkwaardigs. Geen kabinet in jaren toonde zoveel probleemoplossend vermogen. En geen kabinet oogstte daarvoor tegelijkertijd zó weinig waardering.

Het voortvarende crisismanagement heeft Rutte II, paradoxaal genoeg, tot een onbemind kabinet gemaakt.

Neem de heftigste en meest abrupte crisis van de afgelopen vier jaar: de ramp met vlucht MH17. De zinloze dood van 196 Nederlanders dompelde het land in de zomer van 2014 in rouw – en in de nasleep dreigde onmiddellijke geopolitieke escalatie.

Het kabinet reageerde voorbeeldig. In de VN-Veiligheidsraad verwoordde toenmalig minister Frans Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) op indringende wijze het verdriet van de natie. Premier Mark Rutte wist met eindeloos diplomatiek handwerk te voorkomen dat de zaak internationaal uit de hand liep. Maar het gevoel van nationale eenheid na de ramp heeft inmiddels plaatsgemaakt voor onvrede over de langzame vervolging van de daders en gehakketak over Oekraïense radarbeelden.

Ook in die andere grote crisis van buiten, de vluchtelingen, kwam het kabinet doortastend in actie. Toen Syrische en Iraakse asielzoekers in het najaar van 2015 met honderden per dag het land binnenkwamen, sloten VVD en PvdA zonder veel dralen een deal over de opvang van vluchtelingen die mogen blijven – en dat terwijl het een onderwerp is waarover de twee partijen fundamenteel van mening verschillen. Later speelden premier Rutte en – op de achtergrond – PvdA-leider Samsom een belangrijke rol bij de totstandkoming van de ‘Turkije-deal’, die de vluchtelingencrisis (voorlopig) terugbracht tot behapbare proporties. Toch lijkt ook die voortvarendheid zich niet uit te betalen voor het kabinet. Integendeel: de influx in het najaar van 2015 verschafte PVV-leider Geert Wilders een electorale ruggewind die maar niet lijkt af te nemen.

Doortastend maar zonder gevoel

De derde onvoorziene crisis draaide om het Groningse gas en vereiste een heel andere aanpak. Meteen bij de start van Rutte II maakten aardbevingen duidelijk dat de aardgaswinning in Groningen na vijftig jaar drastisch omlaag moest om de veiligheid en leefbaarheid te garanderen. Rutte II zag de ernst van de situatie in en nam rigoureuze maatregelen: iedere begroting ging de gaskraan verder dicht, ondanks miljarden verlies voor de schatkist. Op termijn wil minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) de gaswinning in Groningen helemaal beëindigen.

Maar ook hier oogstte het kabinet weinig lof: Groningers en een groot deel van de Tweede Kamer vonden de stapjes te bescheiden en het tempo te laag. Beleidsmatig toonde Kamp zich misschien doortastend, maar de bewoners wist hij niet het gevoel te geven mee te voelen met hun pijn. Bij de provinciale verkiezingen in 2015 kregen PvdA en VVD in Groningen een geweldige opdonder.

Er was nóg een crisis, die van buiten kwam maar zeker ook van eigen makelij was: het Oekraïnereferendum. Eerst was de strategie van het kabinet: klein houden. Ministers voerden laat en weinig campagne, in de hoop niet dezelfde fout te maken als bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005, toen hel en verdoemenis werden gepreekt.

De VVD liet nauwelijks van zich horen. En áls de partij dat deed, ging het zelden over het gevaar van Rusland – een argument waarvoor de achterban gevoelig zou zijn geweest. De PvdA beloofde de uitslag hoe dan ook te respecteren – ook al ging het om een raadgevend referendum.

Nadat het nee-kamp op 6 april 2016 een ruime overwinning boekte, besloot het kabinet het akkoord alsnog te ratificeren. Ook dat deed het kabinet weer op doortastende wijze. De ‘bijsluiter’ die Rutte vlak voor Kerst afdwong bij de andere EU-lidstaten en de meerderheid voor ratificatie die lonkt in de Tweede en Eerste Kamer, vormen politieke hoogstandjes.

Maar het zou heel goed kunnen dat Rutte II met die behendige ontsnapping juist heeft bijgedragen aan een andere, fundamentelere crisis: het groeiende wantrouwen onder kiezers in politiek en establishment.