Een handelsimperium dat werd opgebouwd met kruit en bloed

Geschiedenis

De in 1602 opgerichte VOC had een duidelijk doel: een monopolie op de handel in specerijen. Er werd niets ontziend voor gemoord.

Rond 1600 werd de nietige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die toen al decennia in oorlog was met het Habsburgse Spanje, een toevluchtsoord voor ondernemende verschoppelingen uit de rest van Europa. Joden, hugenoten, lutheranen of mennonieten, ze mochten hun religie vrijelijk belijden. Die veel geroemde tolerantie loonde: de immigranten brachten kapitaal, handelskennis en contacten mee. Amsterdam verdrong Antwerpen en Lissabon als financieel centrum.

Om de succesvolle rebelse gewesten dwars te zitten ontzegde Spanje in 1598 Nederlandse schepen de toegang tot zijn havens. Een fatale misrekening. De Republiek opende nu zelf scheepvaarroutes naar de Oost én de West.

In 1602 richtten kooplieden, bankiers en burgers uit de belangrijkste steden van de Republiek de Verenigde Oost-Indische Compagnie op. Deze VOC kreeg tot taak de Portugezen te verdrijven uit de handel in kostbare Indische specerijen en de al even begerige Engelsen op afstand te houden.

De bewindhebbers der Compagnie maakten geen geheim van hun doelen en toelaatbaar geachte middelen: „Met tractaet ofte met geweld”, de alleenhandel in deze uitgelezen kruiderij was „het principaele wit waer naer wy schieten” [wit=doelwit; red.]. De VOC was krachtens haar Octrooirechten – een handelsmonopolie, met het recht om verdragen te sluiten, gebied te bezetten en oorlog te voeren – een staat op zich, die onbetwist gezag had om geweld te gebruiken te eigen bate.

Binnen enkele decennia groeide de VOC uit tot een handelsimperium dat de halve wereld omspande. Batavia, op de noordwestkust van Java, werd het middelpunt van een commercieel netwerk dat zich uitstrekte van het eiland Decima (Nagasaki) tot Kaapstad, van het Molukse vulkaaneilandje Ternate tot Suratte in de Arabische Zee. Batavia werd niet alleen het centrum van „de gansche Indische navigatie” van de VOC, maar ook knooppunt en stapelplaats van de zeehandel in Zuid-Oost Azië. Ook de Chinese jonkhandel richtte zich op Batavia.

De VOC onderscheidde zich van andere Europese handelsondernemingen door de schepping van een Aziatisch netwerk. De Compagnie nam zelf actief deel aan de handel binnen Azië. Zo werd Japans zilver verkocht in India om er daar textiel mee te kopen, dat weer gebruikt werd als betaalmiddel voor de aanschaf van Indische specerijen voor de Europese markt. Batavia werd het middelpunt van dit netwerk en fungeerde als stapelmarkt.

De VOC hoopte met de winst uit deze regionale handel de voor Europa bestemde retourladingen te kunnen financieren. Dat is nooit helemaal gelukt. Een aanzienlijk deel van de goederen voor Europa werd betaald met geld en edele metalen uit de Republiek.

Om haar monopolie te vestigen en in stand te houden verwoestte de VOC het economische potentieel en de bronnen van levensonderhoud van inheemse volken en van mogelijke concurrenten, van de Kaap tot de Molukken.

Een greep uit het vele geweld:

De slachting onder weerspannige bewoners van de Banda-eilanden in 1621. Gouverneur-generaal J.P. Coen liet 44 notabelen onthoofden en vierendelen en de meeste Bandanezen deporteren. Enkele duizenden mannen, vrouwen en kinderen kwamen om. Op Banda bleven slechts 600 van de 15.000 autochtonen achter.

De Chinezenmoord in Batavia van 1740. Volgens behoudende schattingen werden achthonderd binnen de stadsmuren wonende Chinezen omgebracht.

In 1651 ondernam Arnold de Vlaming Van Oudshoorn, VOC-gouverneur van de Molukken, een expeditie tegen opstandig West-Ceram. Na afloop schreef hij aan de Heren Zeventien: „We hebben de zaak dusdanig plat gemaakt, dat gij bij de dageraad van morgen geen haan meer zult horen kraaien.’’