Recensie

De schaamteloze seks van planten gaat aan ons voorbij

Zaad in het plantenrijk betekent iets fundamenteel anders dan zaad in het dierenrijk. Bij dieren dient zaad voor de bevruchting, bij planten is zaad het resultaat van die bevruchting.

De zekerheden over wat voortplanting en seksualiteit inhouden vanuit ons menselijk perspectief moeten we helemaal loslaten als we de geslachtelijke voortplanting bij onze groene vrienden willen doorgronden. Een succesvolle bevruchting in het plantenrijk vereist vaak de hulp van anderen (van de wind, insecten of zelfs zoogdieren, inclusief de mens). Het onderscheid tussen mannelijk of vrouwelijk is lang niet zo duidelijk als bij de meeste dieren, en zelfbevruchting behoort bij veel plantensoorten tot de mogelijkheden.

De Britse auteur Michael Allaby doet in zijn boek Plantenliefde zijn best, maar hij raakt verstrikt in gespeelde preutsheid en clichématige opvattingen over seksualiteit en trivialiteit. Dat is een teleurstelling, want de verzorgde uitgave, gebonden en met prachtige botanische aquarellen verzameld uit oude flora’s, wekte hoge verwachtingen.

Allaby begint goed met de constatering dat planten intelligente wezens zijn omdat zij op hun omgeving kunnen reageren, en niet alleen maar op een voorgeprogrammeerde manier. Het zich bewust zijn van de omgeving en op gepaste wijze reageren is een definitie van intelligent gedrag, schrijft Allaby. „Aangezien planten dus intelligent zijn, ook al zijn ze dat op een totaal andere manier dan wij, moet ik ze wel serieus nemen.”

Die prikkelende toon die Allaby in zijn inleiding aanslaat, laat hij jammer genoeg te weinig horen in de rest van het boek. De filosofische insteek maakt plaats voor grappig bedoelde vergelijkingen, plat in plaats van diep. De voortdurende insinuerende beeldspraak in het boek gaat al snel vervelen: bloemen als „dames van lichte zeden”, de bloemenzee in een zomers weiland als „één grote seksorgie” of de „rosse buurt” van bloemen met allerhande bestuivers als „sloeries”. Oubollig, ja, en door die nadruk op het vrouwelijk geslacht wordt het er haast seksistisch van.

Dat deze „schaamteloze vertoning in het openbaar” doorgaans aan ons voorbij gaat, komt doordat seks in onze menselijke beleving draait om beweging, om rampetampen. Planten bewegen wel, maar de meeste doen dat zo langzaam dat wij het niet waarnemen.

Het plantenrijk is enorm divers, een stuk veelvormiger dan het dierlijk leven. En dat geldt ook, of juist, voor de voortplanting. Het is dan ook bijna onmogelijk om compleet te zijn in een populair boek over plantenseks. Allaby probeert het thematisch aan te pakken. Hij neemt de lezer mee langs prachtige en onverwachte voorbeelden van de diversiteit. Zo vertelt hij over het verborgen seksleven van de vijg. De bloemen lijken te ontbreken, maar vijgen maken in de bladoksels holle schijnvruchten waarbinnen de plant toch blijkt te bloeien. Alleen vijgwespen kunnen naar binnen (ze leggen er eitjes) en dat zijn precies de insecten die de plant nodig heeft voor de bestuiving.

Pas halverwege het boek legt Allaby goed uit wat stuifmeel eigenlijk is. Dan vertelt hij dat een stuifmeelkorrel van bloeiende planten uit drie cellen bestaat: een begeleidende cel en twee spermacellen. Maar vervolgens laat hij de kans liggen om nog eens uit te leggen dat die twee spermacellen in planten een dubbele bevruchting tot stand brengen. Eén vormt daarmee het embryo, de ander het endosperm, de voedselvoorraad die het zaadje nodig heeft bij het kiemen.