Column

De paus en de oerknal

Het is een omgekeerde wereld waarin je naar het Vaticaan moet reizen om de stem van de wetenschap te horen. Vorige maand, bij de tweejaarlijkse vergadering van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, sprak paus Franciscus de verzamelde geleerden, waaronder Stephen Hawking en vele Nobelprijswinnaars, moed in: „Er is nog nooit zo’n duidelijke noodzaak geweest voor de wetenschap om de wereld te dienen.”

De grootste zorgen van deze paus zijn klimaatverandering en ecologische rampen. Maar er was nog een belangrijk onderwerp: de oerknal. Gecombineerd met de uitzonderlijke setting – de kleurrijke Zwitserse gardisten, het elegante renaissancepaleis waarin de academie huist, de lommerrijke tuinen vol palmbomen en parkieten, en de majestueuze koepel van de Sint-Pieter – waande ik me even in een thriller van Dan Brown.

Concrete aanleiding was het vijftigste sterfjaar van de oud-president van de academie, de Belgische kosmoloog George Lemaître. Geboren in 1894, student wis- en natuurkunde in Leuven, gedecoreerd artillerieofficier in de Eerste Wereldoorlog en in 1923 gewijd tot priester, kreeg hij speciale toestemming van de kerk om in het buitenland de relativiteitstheorie te bestuderen, eerst bij Eddington in Cambridge, vervolgens in Harvard en MIT. Van 1925 tot het einde van zijn leven was hij hoogleraar in Leuven.

Lemaître is de werkelijke ontdekker van het uitdijend heelal, niet de Amerikaan Edwin Hubble. Hij publiceerde zijn idee twee jaar eerder, in 1927, in een obscuur Franstalig tijdschrift. In 1931 beschreef hij hoe de kosmos ontstaan is uit een „atome primitive” – de term big bang werd pas in 1949 geïntroduceerd. Einstein was aanvankelijk niet onder de indruk. De berekeningen waren correct, maar de fysica was „tout à fait abominable”. Later noemde Einstein zijn werk „de mooiste en meest voldoening gevende verklaring van de schepping”.

In 1934 suggereerde Lemaître ook als eerste dat de restanten van de oerknal nog om ons heen te vinden zijn. Hij vergeleek het heelal met een zojuist beëindigde vuurwerkvoorstelling: „We kijken vanaf een koude sintel naar de afkoelende zonnen, terwijl we ons de verdwenen briljante oorsprong van de wereld proberen voor te stellen.” Drie dagen voor zijn dood, op 17 juni 1966, hoorde hij dat deze kosmische achtergrondstraling inderdaad was waargenomen.

Als priester en natuurkundige is Lemaître altijd een sterk voorstander geweest van de strikte scheiding van geloof en wetenschap. Hij was geïrriteerd toen Paus Pius XII de oerknal probeerde aan te voeren als „bewijs” van het Bijbelse scheppingsverhaal en het bestaan van God. Het was juist het zoekende karakter en niet-dogmatische denken van de wetenschap dat hem tot deze strikte scheiding leidde.

De pauselijke academie ziet zich als een incarnatie van de eerste moderne wetenschapsacademie, de Accademia dei Lincei, opgericht in 1603. Galilei was een van de eerste leden – dezelfde Galilei die later door de inquisitie veroordeeld werd. Zijn officiële eerherstel kwam pas 350 jaar later. De tocht van de kerk naar de wetenschap is lang en kronkelig.

De open houding van de huidige paus is wat dat betreft een verademing. Of het een permanente verschuiving inhoudt, is maar de vraag. Twee jaar geleden was de bijeenkomst van de academie gewijd aan klimaatverandering. Als een direct gevolg daarvan bracht de paus in 2015 zijn encycliek Laudato Si’ naar buiten, met als ondertitel ‘Over de zorg voor het gemeenschappelijke huis’. Franciscus formuleert daarin een scherpe mening over milieuproblematiek en de kwalijke invloed van de mens op de aarde via ongebreidelde consumptie en industriële ontwikkeling. Hij roept ook op tot actie: „Reductie van broeikasgassen vraagt eerlijkheid, moed en verantwoordelijkheid.”

In zijn kijk treffen klimaatverandering en de bijbehorende droogte, stormen en overstromingen met name de zwakkeren onder ons, op het niveau van landen en individuen. We moeten luisteren naar „de noodkreet van de aarde én van de armen”. Deze zorg voor de minderbedeelde medemens is een aansprekende benadering – in mijn ogen effectiever dan beelden van gestrande ijsberen of afkalvende gletsjers – omdat die een verbindende factor tussen vele geloven en levensbeschouwingen vormt.

Franciscus wond er in zijn toespraak voor ons gezelschap geen doekjes om. Hij bekritiseerde de weifelende houding en het gebrek aan daadkracht van politici, en „het gemak waarmee gegronde wetenschappelijke meningen over de toestand van onze planeet worden genegeerd”.

Maar nog belangrijker was wat hij niet zei. Andere pausen zouden bij deze gelegenheid zaken naar voren hebben gebracht waar de wetenschap zich ongemakkelijk bij voelt, van biomedisch onderzoek tot geboortebeperking. Maar niet Franciscus, die in het persoonlijke contact even indrukwekkend is als in zijn geschreven woord.

Toen ik ’s avonds laat de hoge poort van het Vaticaan uitliep, dacht ik terug aan het beeld van de paus die voorzichtig zijn hand legde op die van Hawking. Deze ontmoeting van geloof en wetenschap deed me denken aan de aarzelende handreiking die Michelangelo schilderde in de Sixtijnse Kapel achter mij.