‘Van een crisis van de democratie is helemaal geen sprake’

Tom van der Meer, hoogleraar politicologie

Het echte democratie-probleem zijn niet de kiezer of de instituties, maar de gevestigde partijen, meent de Amsterdamse politicoloog Tom van der Meer: „De bestuurscultuur is niet aangepast aan de nieuwe realiteit.”

Tom van der Meer: „Nieuwe politieke cultuur” gewenst. Foto Olivier Middendorp

Stel, een patiënt krijgt een verkeerde behandeling. Dat is vervelend en kan zelfs schadelijk zijn. Nog erger is het wanneer ook de diagnose niet deugt: de arts zit dan op een dwaalspoor.

Dat gebeurt volgens hoogleraar politicologie Tom van der Meer (36) nu in de politiek. Journalisten, politici en denkers van diverse pluimage hebben de afgelopen jaren de noodklok geluid over onze democratie. Ons bestel is „geen lang leven meer beschoren” (schrijver David Van Reybrouck) of het is zelfs „helemaal kapot” (oud-minister Hans Hoogervorst); volgens de Raad voor het openbaar bestuur is het „vijf voor twaalf geweest”.

Allemaal onnodige zorgen, zegt Van der Meer. Er ís helemaal geen crisis van de democratie. Op internationale ranglijsten over democratie, rechtsstaat en politiek vertrouwen staat Nederland steevast in de toptien, en uit opinieonderzoek blijkt dat het vertrouwen in de politiek niet structureel is gedaald.

Het grote misverstand liet Van der Meer niet los. Vandaar dat het boek dat hij deze vrijdag presenteert, Niet de kiezer is gek, in drie weken geschreven was. „Dit is echt een werk van liefde, passie en frustratie”, vertelt Van der Meer in zijn werkkamer aan de Universiteit van Amsterdam. De voornaamste frustratie: dat de kiezer wordt verweten dat hij de democratie wantrouwt, terwijl uit bijna al het wetenschappelijk onderzoek blijkt dat die vertrouwenscrisis niet bestaat.

Toch hoor je vaak van kiezers dat ze de politiek niet vertrouwen.

„Uit onderzoek blijkt dat er een groot vertrouwen is in de democratie, en minder in politici. Dat is juist goed: het is niet de bedoeling dat mensen politici blindelings vertrouwen. We hebben sceptische burgers nodig, die de politiek actief monitoren. Heel veel onderzoek wijst uit dat de kiezer z’n werk is gaan doen: hij stemt niet meer automatisch op een partij, maar is gaan kiezen.”

Waarom is het apocalyptische verhaal zo hardnekkig?

„Dat is de fundamentele vraag. In de publieke opinie zit een pessimistische grondtoon, dat is van alle tijden. De politicoloog Jacques Thomassen zei in zijn afscheidsrede: er gaat geen decennium voorbij zonder dat de crisis van de democratie is uitgeroepen. De toenmalige West-Duitse bondskanselier Willy Brandt gaf de westerse democratie in de jaren zeventig nog tien jaar. Daarnaast heeft er in de media sinds 2002 een enorme correctie plaatsgevonden: media zijn nu heel gevoelig voor maatschappelijke onvrede. En nog iets: als je iets gedaan wilt krijgen in de politiek, helpt het om een crisis uit te roepen.”

In zijn boek gaat Van der Meer de verschillende voorstellen langs die worden gedaan om de democratie te redden. Je hebt degenen die minder democratie willen: die pleiten bijvoorbeeld voor een kiesdrempel. Zinloos, aldus Van der Meer. „Dat leidt ertoe dat het systeem minder representatief wordt. Bovendien is de verandering van de laatste jaren niet dat er meer splinterpartijen zijn, maar dat de grote partijen hebben plaatsgemaakt voor een heel stel middelgrote. Daar verandert een kiesdrempel niks aan.”

Aan de andere kant bestaat juist de roep om meer democratie. Het populairste middel is het referendum, dat volgens onder anderen Geert Wilders en Thierry Baudet het vertrouwen in de politiek zal herstellen. Dat klinkt leuk, alleen jammer dat het niet klopt, aldus Van der Meer. „Over het referendum wordt gezegd dat het de redding óf de bijl aan de wortel van de democratie is: het is een haast hysterische discussie. Maar beide conclusies kloppen niet. Landen met een referendumcultuur, zoals Denemarken en Zwitserland, presteren niet beter of slechter dan Nederland. Het referendum kan onder omstandigheden een nuttige aanvulling zijn, meer niet.”

En gelote burgerpanels als de G1000?

„Daarvoor geldt hetzelfde: het is democratisch wensdenken. Door te ontkennen dat de politiek een waardenstrijd is, ontkennen de voorstanders van deliberatieve democratie [besluitvorming op basis van informatievoorziening en overleg, red.] het wezen van de politiek. Bovendien blijkt dat het toch weer vooral de ‘participatie-elite’ is die aan dit soort experimenten deelneemt.”

De ‘oplossingen’ lijden allemaal aan hetzelfde euvel, zegt Van der Meer: het zijn institutionele veranderingen, terwijl er met die instituties nou juist niets mis is. „De echte crisis bestaat niet in de democratie, maar in de gevestigde partijen. De bestuurscultuur is niet aangepast aan de nieuwe realiteit.”

Als voorbeeld noemt hij het feit dat bestuurlijke functies vaak nog worden verdeeld onder de 2,2 procent van de bevolking die lid is van een partij. En ook de manier waarop partijen regeren is verouderd: „De gevestigde partijen sluiten het liefst meerderheidscoalities waarin ze alles van tevoren vastleggen.”

Kortom, het probleem ligt niet bij de kiezer of bij het systeem, maar bij de gevestigde partijen. Met hun monopolie op de coalitieformatie en het openbaar bestuur houden zij een „bestuurlijke karteldemocratie” in stand, aldus Van der Meer.

Oplossingen zoekt hij in een „nieuwe politieke cultuur”. Politieke partijen moeten bereid zijn tot minderheidskabinetten en stembusakkoorden [bindende afspraken tussen partijen vóór verkiezingen om zich tijdens een formatie niet uiteen te laten spelen, red.], zich inhoudelijk meer profileren met politieke vergezichten, en breken met de gesloten bestuurscultuur.

Welke van uw oplossingen is het meest haalbaar?

„In elk geval de minderheidscoalities: ik denk dat daar de wal het schip zal keren. Als alle middenpartijen gaan samenwerken, zullen kiezers op zoek gaan naar alternatieven op de flanken. Zo kunnen ze bijna afdwingen dat er toch minderheidskabinetten komen.”

„Wat de andere punten betreft: het is nodig dat politici met langetermijnvisies komen, maar of ze dat durven is een tweede. Ik denk dat ze ertoe in staat zullen zijn als ze stembusakkoorden sluiten. Dan wordt de inzet van de verkiezingen duidelijker. Verder hoop ik dat er codes komen binnen organisaties: dat het niet vanzelfsprekend mag zijn dat bepaalde functies naar partijleden gaan. Maar op dit punt ben ik niet zo hoopvol. Over die bestuurlijke functies wordt al veertig jaar geklaagd, en daar verandert nog niks.”

Uw boek is optimistisch, en toch moet er volgens u heel wat veranderen. Wat zijn de gevolgen als dat niet gebeurt?

„Ik verwacht van politici een uitgesproken steun voor de democratie, tegen het doemdenken. We zien in het buitenland, kijk bijvoorbeeld naar de Canadese premier Trudeau, die laat zien dat je positief kunt zijn en toch kunt scoren. Wanneer dit niet gebeurt zal dat leiden tot onvrede, toenemend populisme en een systeem dat steeds moeilijker functioneert.”

Gaat het boek mensen boos maken?

„Dat denk ik wel. Ik gooi nogal wat knuppels in hoenderhokken. Het is een afwijkend geluid om actief te durven zeggen dat het goed gaat met de Nederlandse democratie. Maar ik hoop dat ik mensen kan overtuigen, en dat we de discussie kunnen voeren op basis van onderzoek.”

Houdt het onderwerp u ook in uw vrije tijd bezig?

„Ja, heel erg. Mijn onderzoek is altijd gemotiveerd doordat ik me ergens druk over maak. In het algemeen erger ik me aan de feitenvrijheid waarmee discussies gevoerd worden. Met collega-politicologen ben ik de weblog StukRoodVlees begonnen omdat we de nieuwsgaring willen voeden met wat we weten uit onderzoek. Er mag geen kloof zijn tussen wetenschap en de publieke discussie.”