Recensie

Obscure monnik verandert de wereld

Reformatie

Dit jaar is het 500 jaar geleden dat Luther zijn 95 stellingen op een kerkdeur timmerde. Vanuit een perifeer stadje en een matige drukkerij kwam het tot het grootste schisma in het westerse christendom.

Maarten Luther, in 1529 geschilderd door Lucas Cranach de Oude (1472-1553) Foto Wikimedia Commons

Nederland is niet echt een Lutherland. Wie een protestantse kerk binnengaat stoot bijna onvermijdelijk op Calvijn. Vreemd is dat niet, zo schrijft de Schotse hoogleraar Andrew Pettegree (1957) in zijn studie Het merk Luther. De monnik uit Wittenberg mocht dan een internationale hervormingsbeweging op gang hebben gebracht, ‘tegelijkertijd was het een wonderlijk kleinsteeds en uitgesproken Duits fenomeen.’

Pettegree had er misschien Scandinavië bij moeten noemen, waar het lutheranisme nog staatsreligie is. Maar in Nederland schittert Luthers ster hoogstens in de verte. Dit jaar misschien een beetje helderder dan anders, omdat het een half millennium geleden is dat hij zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkerk van Wittenberg bevestigde. Daarmee werd hij min of meer bij toeval de grootste splijtzwam in de geschiedenis van het westers christendom. Een obscure monnik in een perifeer provinciestadje met een tweederangs universiteit en slechts één drukkerij voor middelmatig drukwerk op kleine schaal: Luther had zich een betere uitgangspositie kunnen wensen.

Toch liet hij binnen een paar jaar Erasmus achter zich als de meest gedrukte levende auteur van Europa en veroorzaakten zijn geschriften een omwenteling op religieus, politiek, economisch en cultureel vlak. Hoe dat mogelijk was, beschrijft Pettegree minder door naar Luthers levensloop of theologische ideeën te kijken, dan naar de infrastructuur van de verspreiding daarvan. Druk- en boekgeschiedenis is zijn specialiteit en vooral dáárover gaat Het merk Luther.

Geletterdheid

Drukkers, verluchters, geldschieters, distributeurs, lettergieters en roofdrukkers: dat zijn de hoofdrolspelers in Pettegree’s boeiende drama. Eens te meer wordt daardoor duidelijk hoezeer de omwentelingen die in Europa de moderniteit inluidden afhankelijk waren van de boekdrukkunst en de langzaam toenemende geletterdheid die daarvan het gevolg was.

Terwijl Luthers volgelingen bij het lezen van zijn Bijbelvertaling hun ziel hoopten te stichten, richtten zij zich in hun alledaagse bestaan ongemerkt naar andere vanzelfsprekendheden. Het resultaat was de gewetensvolle, verinnerlijkte cultuur waarin niet alleen (aldus Max Weber) het kapitalisme kon gedijen maar ook de authenticiteitscultus wortelt waaraan wij nog altijd hartstochtelijk gehecht zijn.

Een kalme geschiedenis is dat niet geweest. Al tijdens Luthers leven dienden de eerste schisma’s in de protestantse gelederen zich aan. Daaraan is nooit meer een einde gekomen, recente pogingen tot oecumene en samensmelting in de PKN (Protestantse Kerk in Nederland) ten spijt. Wie leest gaat er nu eenmaal eigen meningen op na houden, des te meer wanneer het eigen hart en geweten de ultieme bron van autoriteit geworden is. En zoals Pettegree laat zien: lezen déden de protestanten vanaf het allereerste begin.

Theologische pietluttigheden

De onderlinge strijd was vaak heftiger dan die tegen de ‘perfide’ Roomse Moederkerk – ook al draaide het om theologische pietluttigheden. Zelfs de kerkscheuringen van de 20ste eeuw begrijpen wij vaak niet meer. Maar voor de betrokkenen betekenden ze behoud of verdoemenis.

Een drietal boeken van en over evenzovele protestantse theologen uit evenzovele generaties laat zien hoe turbulent het er binnen de verschillende tradities in de 20ste eeuw aan toe is gegaan. Heiko Miskotte (1894-1976) had een hervormde achtergrond, Harry Kuitert (1924) een gereformeerde en Rikko Voorberg (1980) komt uit de strenge ‘vrijgemaakte’ hoek. Het zijn twee keurige biografieën en een belijdenispamflet onder de titel De dominee leert vloeken: sprekender kan het contrast niet zijn.

Toch is er iets dat alle drie verbindt: koppig individualisme, waarheidshonger die door roeien en ruiten gaat – en de onvermoeibare drang om van dat alles te getuigen. In alle drie weerspiegelt zich de paradoxale weg die het protestantse denken de afgelopen eeuw heeft afgelegd. Aan het wetenschappelijk optimisme van de voorafgaande periode had het zich gaandeweg geconformeerd. De protestantse theologie was ‘liberaal’ geworden, met aan de einder een humanisme waarvoor ze weliswaar terugschrok, maar dat niettemin haar logische eindbestemming leek.

Totdat de Eerste Wereldoorlog de knusheid kwam verstoren en de Duits-Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) in zijn theologisch meesterwerk De Brief aan de Romeinen schreef dat het goede en het goddelijke niet zomaar ‘van deze wereld’ waren. Plots gaapte er tussen boven en beneden weer een bijna onoverbrugbare kloof: ‘God is God en mens is mens’ – verwar ze vooral niet.

Barths theologie sloeg in als een bom. In Nederland maakte Miskotte zich er de woordvoerder van – vaak over de hoofden van de plaatselijke gemeenten en synoden heen. Maar een tweede Wereldoorlog gaf hem het morele gelijk. Terwijl de kerken aan de top tegenover de misdaden van het nazi-regime een aarzelende houding aannamen, weigerden de ‘barthianen’ zich op grond van hun ‘ouderwetse’ verticale geloof daaraan te accommoderen. Het Rijk Gods was nu eenmaal niet van deze wereld.

Dat moet, zo schrijft Herman de Liagre Böhl in zijn indringende biografie, Miskotte’s finest hour geweest zijn. Maar ook hij kon, manisch-depressief strijdend tegen zijn eigen ongeloof, het tij van de ‘liberale’ theologie niet keren. Net zo min als de één generatie jongere Harry Kuitert, die bijna even diep onder de indruk van Barth was geweest. Bijbelkritiek, godsdienstgeschiedenis en moderne filosofie pelden de ene laag na de andere van de calvinistische zekerheden af – en de moderne massamedia deden de rest.

Niet dat Kuitert zich daar lang tegen bleef verzetten, zo wordt duidelijk uit de diepgravende biografie waarvan de schrijver Gert Peelen (1947-2015) de verschijning niet meer mocht meemaken. Steeds meer kwam Kuiterts denken in een stroomversnelling, vooral nadat hij met emeritaat was gegaan en zich volledig op zijn auteurschap kon richten. Uiteindelijk gebeurde wat bezorgde gelovigen hem al vanaf het begin hadden voorgehouden: zelfs God moest worden ontmanteld. Het groeiende lezerspubliek dat Kuitert aanboorde kon van boek tot boek volgen hoe onder zijn pen het ene dogma na het andere eraan geloven moest.

De protestantse zuilen, die in de jaren zeventig het katholicisme in Nederland hadden zien verkruimelen, viel met enige vertraging datzelfde lot ten deel – al genieten de ‘opwekkingskerken’ naar Amerikaanse snit inmiddels een opmerkelijke populariteit. Aan Rikko Voorberg is dat niet besteed. Als hij vloekt, dan is dat over het leed en het onrecht in de wereld: variërend van de door iedereen uitgekotste pedofiel Benno L. tot de Syrische vluchtelingen op Lesbos.

Praktische acties

In De dominee leert vloeken haalt Voorberg al zijn woede daarover naar boven, in een poging die aan te wenden voor praktische acties. Over God horen we weinig tot niets, maar de Barthiaanse inspiratie die zich niet wil neerleggen bij de wereld zoals ze is, blijft in dit pamflet onmiskenbaar. Helaas geldt dat ook voor een andere hebbelijkheid die het bevlogen christendom nog wel eens wil plagen. Voorberg leest de wereld de les, tot aan de donderpreek toe – maar lijkt het daarbij, in weerwil van alle betuigingen van eigen falen, niet slecht met zichzelf getroffen te hebben. Dat maakt zijn belijdenispamflet nogal eens moeizaam om te lezen, hoe nobel zijn zaak ook is.

Voorberg staat daarmee in een lange traditie. Ook Luther had het soms moeilijk met de betrekkelijkheid van alles. Ironie, zelfspot en distantie zijn niet de sterkste punten van het protestantisme. Daarmee is het ver gekomen en heeft het veel bereikt – maar een lachje kon er zelden vanaf.