Recensie

Luther en zijn vadercomplex

Maarten Luther (1483-1546)

Het is moeilijk om enige sympathie op te brengen voor deze Duitse reformator. Hij was een felle antisemiet met een hoge eigendunk en loog erop loos.

Maarten Luther, in 1529 geschilderd door Lucas Cranach de Oude (1472-1553)

‘En daar in het schijthuis van het klooster werd ik als door een bliksemschicht getroffen door de idee dat de rechtvaardigen zullen leven door het geloof alleen.’ Zo omschrijft Maarten Luther in 1532, in een van zijn beroemde tafelredes, het moment in 1515 waarop hij voor het eerst de genade van God ervoer. En het was, zo schrijft hij aan het einde van zijn leven, ook het moment waarop hij besloot zich tegen de heersende opvattingen van de kerk te gaan verzetten. Een verzet dat twee jaar later resulteerde in zijn beroemde 95 stellingen.

In haar nieuwe, onlangs ook in het Nederlands vertaalde, biografie van Luther laat de Australisch-Britse historicus Lyndal Roper (1956) zien hoe diep dit monumentale moment ingreep in Luthers leven. Voor Luther markeerde deze openbaring een opvallende wijziging over hoe hij over zich zelf dacht. Want omstreeks 1516 veranderde hij zijn naam van Luder (zoals zijn vader heette) tijdelijk in Eleutherius (de bevrijde). Roper gebruikt dit en andere voorbeelden uit het leven van Luther om zoals ze in haar inleiding schrijft, ‘Luthers innerlijke ontwikkelingen te tonen.’

Een ontwikkeling die al begint in zijn jonge jaren. De schrijver voert de lezer mee naar het zestiende-eeuwse Saksen waar zijn familie in de zilvermijnbouw werkzaam was. Ze laat zien hoe Luther (1483-1546) worstelde met zijn vader, vooral met diens wens dat de jonge Maarten jurist zou worden en zorg moest dragen voor de voortzetting van het geslacht. Die worsteling met zijn vader krijgt nogal wat nadruk omdat Roper hierin een belangrijke psychologische verklaring ziet voor Luthers latere verzet tegen de katholieke kerk: de paus als dominante vaderfiguur waartegen Luther moet strijden in zijn zoektocht naar een eigen identiteit.

Almachtige god

Ook de idee van een almachtige god waaraan wij volstrekt zijn overgeleverd, een van de belangrijkste thema’s in Luthers theologie, verklaart Roper direct uit Luthers jeugd. ‘Het zware leven van de mijnwerkers, de eeuwige onzekerheid van hun bestaan en het voortdurende besef van gevaar en risico had zich in Luthers ziel genesteld en hem een diepe overtuiging van Gods almacht bezorgt. En hem bovendien het inzicht gegeven dat de mensen in hun omgang met Hem volstrekt aan Hem waren overgeleverd, dat er geen bemiddelaars of strategieën waren die hen konden beschermen.’

Krijg je door de psychologische benadering van Roper een mooi beeld van de innerlijke strijd die Luther zijn hele leven heeft gestreden, moeilijker wordt het om de ondertoon van sympathie voor Luther te begrijpen, die in grote delen van haar boek doorklinkt. De door Roper vaak zeer beeldend weergegeven beschrijvingen van zijn woedeaanvallen, zijn spotlust, zijn verschrikkelijke eigendunk, zijn leugens en zijn voorliefde voor grove grappen, maken het voor de lezer bijna onmogelijk om sympathie voor hem op te vatten.

Alleen wanneer Roper beschrijft hoe hij, in een van zijn momenten van diepe angst, zichzelf op zijn bed werpt om vervolgens urenlang tot God te bidden snap je wellicht hoe zij meeleeft met deze getourmenteerde mens. Een gevoel dat onmiddellijk verdampt na de lezing van een van zijn scheldpartijen tegen bijvoorbeeld de Paus. ‘De vader van de katholieke kerk is een sodomiet, een travestiet, die de christelijke familie aanzet tot satanisch misbruik.’ De Paus is voor hem ‘de grote Behomoth die ik tussen de tanden in de muil zal schoppen’.

Helemaal onsympathiek wordt Luther op het moment waarop zijn virulente antisemitisme aan bod komt. Op dit punt spaart ook Roper overigens Luther niet. Integendeel, ze maakt glashelder dat Luthers jodenhaat, een ander woord is nauwelijks denkbaar, niet afgedaan kan worden als iets wat in die tijd nu eenmaal normaal was, of als een pekelzonde van een man op leeftijd, maar dat het: ‘een integraal onderdeel uitmaakte van zijn theologie waarin niet langer de joden, maar de Lutheranen het uitverkoren volk waren geworden.’

De cruciale vraag die uit dit alles volgt en waar ook Roper uitgebreid bij stil staat is: hoe kon het gebeuren dat een man met een dergelijk boers, platvloers en driftig karakter en zo’n uitgesproken antisemitische stellingname – die zelfs veel van zijn tijdgenoten veel te ver ging – zoveel invloed kreeg? Het opstandige, emotionele karakter van Luther vormt, zo stelt Roper, juist een van de belangrijkste factoren van zijn succes. Zijn onwrikbare overtuiging van zijn eigen gelijk en zijn onverzettelijke houding ten opzichte van zijn tegenstanders maakten namelijk diepe indruk op zijn tijdgenoten en sterkten velen van hen in hun eigen roep om sociale en religieuze verandering.

Volkstaal

En het was, aldus Roper, diezelfde overtuiging die Luther ertoe bracht om zijn boodschap – aanvaarding van de genade van God en een terugkeer tot het evangelie als enige basis voor het geloof – zo te verpakken dat het effect ervan optimaal zou zijn. Zo schreef hij veel van zijn teksten in de volkstaal in plaats van in het Latijn en maakte hij succesvol gebruik van de nieuwe techniek van de boekdrukkunst. Daarbij werkte hij heel nauw samen met schilders en drukkers uit die tijd, onder wie Lucas Cranach de Oude (1472-1553).

Een voor de snelle verspreiding van Luthers ideeën belangrijke gebeurtenis, waaraan Roper te weinig aandacht schenkt, is de openstelling voor het ‘gewone’ publiek (in 1516) van de in 1491 opgerichte ‘rijkspost’. Uit recent onderzoekt blijkt namelijk dat daardoor de snelheid waarmee berichten hun doel bereikten meer dan vertienvoudigde.

En dan zijn er de algemene politieke en sociale verhoudingen in die tijd. Luthers verzet tegen de heersende praktijken in de katholieke kerk kwam niet uit de lucht vallen. De kerk stond al veel langer onder druk. Tot 1517 was Rome echter nog in staat geweest elk verzet de kop in te drukken. Maar in de jaren waarin Luther zijn nieuwe theologie begint te verkondigen heerst er een politiek vacuüm. Dat bleek al tijdens de Rijksdag van Augsburg (1518), waarin Luther ter verantwoording werd geroepen over zijn stellingname tegen de aflaatpraktijken. Roper beschrijft uitgebreid hoe de pauselijke aanklager Cajetanus toen omwille van de steun van Frederik de Wijze, de vorst van Luther, zeer omzichtig te werk moest gaan. Toch leek een veroordeling van Luther onafwendbaar, ware het niet dat de rijkspolitiek tussenbeide kwam. ‘In januari 1519 stierf Keizer Maximiliaan en in de zes maanden hierna streden de Franse koning, de Paus en de Duitse vorsten over diens opvolging. Deze politieke verwikkelingen zorgden ervoor dat Luther de gehele eerste helft van 1519 gevrijwaard was van vervolging’

Wanneer de nieuwe keizer, tijdens de Rijksdag in Worms (1521), daar wel toe besluit is het al te laat. Dan is de geest al uit de fles en die zal er nooit meer in terugkeren. Met alle gevolgen van dien.