Recensie

Daniele Gatti laat zijn orkest deinen

De chef van het Koninklijk Concertgebouworkest maakte zijn avontuurlijke reputatie waar met een Frans georiënteerd programma.

Archieffoto van Daniele Gatti Foto Anne Dokter/Royal Concertgebouw Orchestra

KCO-chef Daniele Gatti staat bekend om zijn avontuurlijke interpretaties. Gisteren maakte hij die reputatie waar met een Frans georiënteerd programma – onderdeel van zijn missie om het laat-romantisch kernrepertoire van de Amsterdammers (Mahler, Bruckner, Strauss) uit te breiden met fin-de-siècle-werk van buiten het Duitse taalgebied.

Zo viel Gatti’s lezing van Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune op door extreem lage tempi, langgerekte rusten en lome fraseringen. Bij momenten resulteerde dat in fraaie uitvergrotingen van Debussy’s subtiele coloriet. Maar vaker haalde die extreem trage benadering bij gebrek aan melodische spankracht de fut uit de noten. Kleurrijk of niet.

In de maritieme vergezichten van Debussy’s La mer had Gatti meer oor voor de grote lijn. Hij liet gevleugelde houtblazers prachtig en statig cirkelen boven een kabbelende strijkerssectie. In het scherzo-achtige tweede deel kwam de spanning uit felle contrasten in tempo en dynamiek. Maar het meeste indruk maakte het KCO in het slotdeel, waarin het met zorgvuldig opgebouwde climaxen een machtig deinen ontketende.

Na de pauze gaf Gatti (uit het hoofd) een staalkaart van zijn technische kunnen met Stravinsky’s Le sacre du printemps. Hier ontlokte hij met vinnige hoofdknikjes spatgelijke accenten aan de hoorns, af en toe stuurde een zwiepende pink een trompet bij. Op het gebaar van dramatisch gespreide armen klonken huiveringwekkende glissando’s in een soevereine trombonesectie.

Perfect getimed: die luide niezer die het middenin een rust te kwaad kreeg.