Foto: Andreas Terlaak

‘Het gaat mij om gezonder oud worden’

Peter de Keizer

Het opruimen van oude cellen verjongt het hele lichaam. Onderzoeker Peter de Keizer wil dat zo snel bij mensen toepassen.

Veroudering remmen: er zijn hordes biowetenschappers die het willen en die ons beloven dat het kan. Ze sleutelen aan allerlei celprocessen, van DNA-slijtage tot aanvallen door vrije zuurstofdeeltjes, met wisselend succes. Wat veroudering in elk geval écht lijkt te remmen, is minder eten en meer bewegen.

Maar kunnen we veroudering ook terugdraaien? Peter de Keizer (35) denkt van wel. Deze onderzoeker van het Erasmus MC in Rotterdam werkt aan nieuwe hoofdpersonen in dit verhaal: de zogeheten senescente cellen. Hij schreef er een artikel over in het wetenschappelijke tijdschrift Trends in Molecular Medicine (januari 2017).

Senescente cellen danken hun naam aan het Latijnse ‘senescere’, dat verouderen betekent. Die cellen kunnen zich niet meer delen, maar sterven ook niet. Ze zorgen er zo wel voor dat ook een ouder lichaam zijn afmetingen en stevigheid behoudt.

Waarom zijn senescente cellen dan slecht voor de gezondheid?

De Keizer: „Ze scheiden allerlei eiwitten uit, waaronder ontstekingsstoffen, die de omliggende weefsels sneller laten verouderen. Daardoor kunnen organen slechter gaan werken. Die chronische ontstekingen kunnen ook de groei van tumoren versnellen en ze bieden een voedingsbodem voor uitzaaiende kankercellen. Daarnaast maken ze kankercellen minder gevoelig voor chemotherapie.”

Kortom, we zouden er eigenlijk vanaf moeten?

„Ja. Amerikaanse collega’s hebben vorig jaar laten zien dat muizen tot wel 25 procent langer leven als je de senescente cellen weghaalt met een genetisch trucje. Zij hebben daarmee aangetoond dat senescente cellen geen gevolg, maar een directe oorzaak zijn van veroudering. Inmiddels hebben anderen geprobeerd senescente cellen te doden met bekende stoffen. Maar dat was tot nu toe nog niet erg succesvol.”

Waarom niet?

„Die stoffen grijpen ook op andere cellen aan. Dat kan allerlei bijwerkingen veroorzaken. En zelfs als je alleen de senescente cellen doodt, dan heb je nog niet de omliggende weefsels hersteld. Dat is waar wij ons in Rotterdam wel op richten. Wij hebben een stofje gemaakt dat alléén senescente cellen doodt en tegelijkertijd de omliggende stamcellen aanzet om nieuw weefsel te maken. Het is een peptide, een klein eiwit dat makkelijk in de cellen kan doordringen.

„Bij muizen heeft dat een enorm effect: oude muizen gingen weer twee tot drie keer zoveel rennen in hun loopwiel, hun orgaanfunctie verbeterde en ze kregen weer meer haargroei. Die resultaten publiceren we hopelijk binnenkort.”

Wat is de actuele stand van de wetenschap op dit gebied?

„Dat beschrijf ik in het opinieartikel dat in Trends in Molecular Medicine verscheen. Er zijn nog een aantal stappen nodig om een therapie te kunnen ontwikkelen tegen senescente cellen. Daarbij schets ik een nieuw model voor veroudering, dat verklaart waarom senescente cellen zo slecht zijn voor weefsels. Ik noem het ‘senescence-stem lock’: de senescente cellen zorgen ervoor dat de naburige cellen permanent stamcel blijven en zich niet verder ontwikkelen. Daardoor kan beschadigd weefsel zich niet vernieuwen.”

Je waarschuwt in het artikel ook tegen een nieuwe hype.

„Ja. Hypes werken alleen maar averechts: als je dan niet over vijf jaar een wondermiddel op de markt hebt, dan verlies je het vertrouwen van je geldschieters en van het publiek. Daar zijn genoeg voorbeelden van. In de jaren 60 werd er een ‘war on cancer’ aangekondigd – binnen vijf jaar zou kanker de wereld uit zijn. Nou, je ziet het, we zijn er nog lang niet uit. Toen is dat hele vertrouwen in elkaar geklapt. Dat willen we nu voorkomen.”

Maar tegelijkertijd pleit je ervoor dat wetenschappelijke ontdekkingen sneller ‘naar de kliniek’ moeten.

„Ja, in elk geval wat mijn eigen werk betreft. Veel fundamentele onderzoekers zijn zó gespitst op hun eigen vakgebied dat het voor hen ophoudt zodra ze een ontdekking doen. Vervolgens een medicijn ontwikkelen, dat zien ze niet zo zitten. Dat is ook wel begrijpelijk – het is een vak apart, en je krijgt dat in een academische omgeving ook niet zomaar voor mekaar. Maar voor mij is het juist een enorme drijfveer om zelf te werken aan de toepassing van mijn fundamentele ontdekkingen. Dat komt denk ik ook door mijn postdoctijd in Silicon Valley.”

Jij bent nu zelf een bedrijf aan het opzetten.

„Ja, inderdaad. We willen ons nieuwe stofje zo snel mogelijk naar de kliniek brengen. Daarom gaan we nu eerst de werkzaamheid en vooral ook de veiligheid uitgebreid onderzoeken. We gaan immers cellen doden – en dan moet je wel heel zeker weten wat het effect is op gezonde weefsels.

„Binnen een jaar of twee hopen we de eerste tests met patiënten te doen – in eerste instantie bij patiënten met agressieve vormen van kanker. Binnen vijf jaar hopen we aan ouderdomskwalen te beginnen.”

Moeten we eigenlijk wel almaar ouder willen worden?

„Nee, o nee, daar gaat het mij ook niet per se om. Het gaat mij erom dat we gezónder oud worden. Dat we langer zonder kwalen kunnen leven.

„Langer leven zou natuurlijk mooi zijn, maar ik denk dat mijn Rotterdamse collega Jan Vijg, die nu in de VS werkt, wel eens gelijk zou kunnen hebben: hij stelt dat we het plafond van onze levensduur wel zo’n beetje hebben bereikt, met een jaar of 120. Maar stel je eens voor wat het zou betekenen als mensen niet meer de laatste dertig, veertig jaar van hun leven hoeven te kwakkelen….”