Boek

Tien jaar na zijn dood een monumentje voor de Rotterdamse schrijver A. Moonen

Het antwoord op de vraag: „Waar staat de A voor?” liet, tot vermaak van de interviewer én de geïnterviewde, nooit lang op zich wachten: „Voor de punt” — en dan het woord „punt” licht naar boven afbuigend, op zijn Rotterdams gezongen. Want A. Moonen was een Rotterdamse schrijver, hier geboren op 28 augustus 1937, hier gestorven op 24 januari 2007 en sindsdien bijna vergeten.

Bijna, want op twee dagen na tien jaar na zijn dood wordt de door Wim Sanders geschreven biografische schets Bel ik u wakker, beste man? Het monisch-manische schrijversbestaan van A. Moonen gepresenteerd in Galerie Walgenbach Art & Books – niet ver van de Hollandsestraat in het zuidelijke stadsdeel waar de wieg van, voluit, Arie Wilhelmus Pieter Moonen stond.

Tussen 1979 en 1997 werd Wim Sanders, die rond 1980 over literatuur schreef in Het Parool, op de onmogelijkste tijdstippen gebeld door Moonen. Aan die vaak nachtelijke „draadspraak” herinnert de titel van Sanders’ boek.

Moonen was al veertig toen hij debuteerde met het dagboekachtige Stadsgerechten, scabreuze aantekeningen, opgedist in een archaïsche stijl die aan Reve deed denken, die zelfs in het vrijzinnige Nederland van de jaren zeventig opzien baarden. Moonen beschreef, ook in zijn latere boeken, met onmiskenbaar gevoel voor humor onder meer seksuele voorkeuren waarvan het bestaan nauwelijks werd vermoed.

Na in Den Haag, Almelo en Amsterdam gewoond te hebben, kwam Moonen in 1987 terug naar Rotterdam waar loopbaan en leven van lieverlee in een neerwaartse spiraal belandden. Al eind jaren zestig belandde hij in zijn eerste psychose, later werd vastgesteld dat hij manisch-depressief was. Een handjevol kennissen was op 31 januari 2007 bij zijn begrafenis op Crooswijk, waar de stoffelijke resten van A. Moonen tot januari 2022 onder een anonieme steen liggen. Met zijn boek bezorgt Wim Sanders hem alsnog een klein monument.