Column

Zonde

Zondag bezocht ik een vriend die in het dagelijks leven mensen helpt met reïntegratie, in zijn vrije tijd anderstaligen ’t kofschip uitlegt en bovendien nooit een hond schopt. Al die goede eigenschappen kosten veel energie, dus heeft hij nooit de puf om zijn huis schoon te maken en gelukkig maar, anders zou hij akelig perfect zijn. Zijn toiletmuur is bedekt door een kantkloswerk aan donkere schimmels en in de groentenla kom je soms de pluizige restanten tegen van wat eens een goedbedoelende aubergine moet zijn geweest.

Maar toen ik dinsdag bij hem binnenstapte, was alles brandschoon. Voor het eerst in mijn leven zag ik hem met een afwasborstel.

„Zo,” zei ik na te zijn bijgekomen, „goede voornemens?”

De vriend knikte zo driftig van ‘ja’ dat ik zei dat we even moesten praten.

„Ik had gewoon zin in schoonmaken!” riep hij, en tegelijkertijd rolde er een druppel bloed uit zijn neus.

„Fuck”, zei hij, met zijn handen een bassin onder zijn neus vormend. „Fuck, fuck.” Ik zuchtte. Rommeligheid was niet zijn enige slechte eigenschap. Jarenlang gebruikte hij net iets te vaak neusvreugde (zijn koosnaam voor coke) om het nog recreatief te kunnen noemen. Ik sloeg mijn arm om hem heen en hij biechtte op dat hij de avond ervoor, tijdens een dronken feestje, toch een snuif of wat had genomen. Voor het eerst in tijden.

„Ik ben zó teleurgesteld in mezelf”, brieste hij. „Ik moest iets doen!” Door zijn hele huis op te ruimen. Voor iemand die zo allergisch is voor schoonmaken, was dit je reinste automutilatie.

Maar, dacht ik, terwijl ik om me heen keek: eigenlijk was het een fantastische sprong voorwaarts. Hij had een mooi huis, zeker nu er geen dampende vuilniszakken meer in de hoeken lagen. Eigenlijk werd zijn wereld een betere plek door het overmatig compenseren van deze nasale faux-pas.

„Ik ben niet de enige hoor”, zei hij, en begon voorbeelden te noemen van kennissen die ook al hun goede voornemens (niet meer vloeken, niet meer drinken, niet meer eten) hadden verbroken en ter compensatie geld aan goede doelen doneerden, hun kleinkinderen mee naar de Efteling namen en vrijwilligden in dierenopvangen. Ook ik scheid mijn afval bewuster als ik te lang heb uitgeslapen. Je geeft jezelf op deze manier non-verbale absolutie.

Terwijl de vriend met een pluk wc-papier in zijn neusgat weer tot zich zichzelf kwam, zei ik dat zondigen de wereld soms beter maakt.

„Ha,” zei hij, „dus iemand als Florence Nightingale was in plaats van menslievend alleen aan het compenseren?”

Vast wel. Ik keek uit het raam, waar groepjes vrijwilligers afval ruimden. De wereld zou er misschien pas echt slecht aan toe zijn als we ons alleen maar voorbeeldig gedroegen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen