‘Die beelden uit Syrië, dat is Dantes Inferno’

De Hongaarse meester van de zwaarmoedigheid, Béla Tarr zwoer de camera af. Speciaal voor een expositie in EYE Filmmuseum filmde hij toch weer een scène .

Een typische bewoner van Bélaworld uit de film Sátántangó: buiten regent en onweert het.

‘Weet u, film maken is een fijn bourgeoisberoep. Kijk om u heen. Vijfsterrenhotel, auto met chauffeur, and it’s all fucked up. Alleen om zoiets te behouden maak je natuurlijk geen grote films.”

De Hongaarse filmmeester Béla Tarr (60) doelt op de obscene luxe van hotel La Mamounia, waar hij medio december als juryvoorzitter van het Marrakech Film Festival wordt vertroeteld door de Marokkaanse overheid. Bleke zon, azuren zwembad, zuilengalerij: heel anders dan Bélaworld, het Hongaarse platteland in grimmig grijs-zwart waar zijn films zich doorgaans afspelen. Een wereld van haveloze kroegen, beschonken mannen, smoezelige glazen, schonkige koeien. En altijd die modder, altijd die regen.

Het Eye Filmmuseum opent volgende week een tentoonstelling over Béla Tarr, en dat belooft interessant te worden. Niet iedereen is gegeven de zeven uur Sátántangó (1994) van deze meester van de slow cinema te zien, maar filmkathedraal Eye lijkt de ideale plek om je onder te dompelen in Bélaworld: zijn magistraal gecomponeerde scènes, glijdende camera, hypnotiserende soundscape.

Fragment uit Sátántangó. Lees verder na de video.

Tarr heeft voor de expositie zelfs een nieuwe scène van 11 minuten geschoten. Uniek, want na Turin Horse in 2011, een bijna woordloze Apocalyps in slow motion over een boer, een dochter en een paard, zwoer hij nooit meer een speelfilm te maken. Niet dat hij zich terugtrok met een mandfles palinka om van afstand naar de wereld te gluren, zoals veel helden in Bélaworld: Tarr opende een filmschool in Sarajevo, de ‘Film Factory’. Een soort Bauhaus, legt hij uit, waar beginnende cineasten leren van veteranen: bewonderaars als Tilda Swinton, Carlos Reygadas en Guy Maddin kwamen langs.

Maar Tarrs filmschool sloot in december de deuren – het geld is op – en nu reist hij door Europa op zoek naar een andere locatie. Tussendoor is hij nu Monsieur President, zoals de juryvoorzitter in Marrakech heet. Tarr laat het zich met genoegen aanleunen: bewonderaars die hem eerbiedig lispelend de hand schudden, een diner met de broer van de koning. Hoe dat was? „Hm”, gromt hij. „Volgende vraag.”

Jaap Guldemond van Eye wist hem over te halen voor een expositie, waarna veel debat over de vorm volgde: „Ik had een hoop domme ideeën en Jaap zei dan ‘nee’. Hij is de professional”, zegt Béla Tarr schouderophalend. En nee, de filmscène die hij opnam, is geen voorbode van nieuwe speelfilms. „Ik ben een filmjunkie. Maar ik heb geen behoefte mezelf te herhalen.”

Dantes Inferno

Rode draad in het Eye Fimmuseum is Tarrs woede over de vluchtelingencrisis. „Dat heeft me wel gemobiliseerd, eerlijk gezegd. Die beelden uit Syrië: Dantes Inferno. Ik dacht: fuck, als ik niet dood ben, en dat ben ik niet, dan heb ik nog steeds iets te zeggen. Ook als ik zwoer dat ik nooit meer een camera zou aanraken.”

Regisseur Béla Tarr.

Allereerst, stelt Tarr zich voor, ga je in het Eye door zo’n fuik met prikkeldraad als bij de Hongaarse grens. „Ik reed vaak tussen mijn filmschool in Sarajevo en Hongarije en passeerde dan dat hek. Vrouwen en kinderen op de vlucht voor geweld wegsturen om onze nationale, christelijke cultuur te verdedigen. En ze willen niet eens naar Hongarije maar naar Duitsland, een veel beter land. Beschamend.”

Na het hek belandt de bezoeker van het Eye in Bélaworld, met de eenzame boom en de windmachine van Turin Horse. Tarr: „Prikkeldraad, niemandsland, oorlog en dan de veilige wereld, de levensstijl die wij zo nodig moeten beschermen tegen die arme vluchtelingen.” Denk aan de kroegen, gaarkeukens en ruïnes uit de post-Sovjetruimte.

Bloeddorstig roedeldier

Toch mag dat hek tegen vluchtelingen Tarr niet verbazen. Zo is de mens toch? In zijn speelfilm Werckmeister Hármoniák (2000) valt een dorp voor een nihilistische demagoog en diens rondreizende circus, met als attractie ’s werelds grootste walvis. Het loopt uit op een pogrom in het lokale ziekenhuis. Bij Tarr is de mens een soms bloeddorstig roedeldier. Huilen met de andere honden in de modder, zoals in Damnation (1988): daar is onze plek. „Oké, ik ben ook niet echt verbaasd over dat vluchtelingenhek”, zegt Tarr. „Misschien was ik naïef. Je denkt: dit is al gebeurd, en nog eens, en nog eens: misschien hebben wij iets geleerd? Maar nee.

Zou dat engagement geen reden kunnen zijn om weer aan het filmen te slaan? „Nee! Ik ben een filmjunkie met meer dan gemiddelde zelfcontrole. En geloof me: het is klaar. Het was een fijne tijd. Hoewel fijn: Film vreet aan je geest, je gezondheid, je lichaam, je gevoel. Ik begon jong, stelde mezelf vragen en ontwikkelde mijn stijl. Maar al in 2007 dacht ik: als ik Turin Horse mag maken, van het eerste tot het laatste shot, dan is mijn werk ingepakt en gereed voor verscheping. Verder niets aan toe te voegen.”

Sterven achter de camera

Regisseren valt hem dus zwaar. Waarom? „Omdat wij samen zo diep gingen. De acteurs lijden. En als zij sterven voor de camera, sterf ik achter de camera. Ik wil dat ze niet spelen, maar zijn. Ik zoek persoonlijkheid, aanwezigheid.” De regisseur moet op zijn beurt charisma bezitten, vervolgt Tarr. „Aanvoelen dat elke persoon of situatie anders is. De één moet op zijn gemak worden gesteld, de andere juist wakkergeschud. Je bent de dirigent van een orkest. Kijk ik terug op mijn films, dan weet ik niet hoe ze ontstonden. Het is een proces van honderden, duizenden momentjes die in elkaar grijpen. Als ik zeg: film sloopte me, dan bedoel ik dat.”

Béla Tarr klinkt in interviews vaak wat geïrriteerd over interpretaties. Zijn films zijn geen verhalen: de simpele plots – over jaloezie, geld of geweld – spelen zich als het ware net buiten beeld af. Verhalen zijn „al sinds het Oude Testament hetzelfde”, vindt hij. „Ik schreef alleen scenario’s om geldschieters en stichtingen gerust te stellen. Daarna gingen we onze gang.”

In mijn films genieten mensen van simpele dingen: drank, dansen, een aardappel. De kwaliteit van die vreugde is de kwaliteit van ons leven.

Waar draait het dan wel om? Tarr: „Geen idee. Mijn school in Sarajevo heet Film Factory, we zijn proletariërs van de kunst. Ik weet alleen dat kunst iets met tijd te maken heeft. Als een film nog emoties opwekt na 15 jaar, word ik wantrouwig: is het kunst? En na 25 jaar weet ik het zeker: het is kunst.” Dus heeft Tarr er geen moeite mee als ze hem maestro noemen. „Mijn film Damnation is een kwart eeuw oud, Sátántangó twintig jaar, mijn vroegste werk veertig jaar. Ik zie dat ze worden vertoond aan mensen die toen nog niet geboren waren. Ik zie ogen glinsteren, ik zie ze glimlachen. Dan ben ik gelukkig.”

Wil Tarr dat die kijkers komedie zien in zijn zwaarmoedigheid? „U mag best lachen, en niet alleen omdat het leven absurd is. In mijn films genieten mensen van simpele dingen: drank, dansen, een aardappel. De kwaliteit van die vreugde is de kwaliteit van ons leven.” Vreugde om een warme aardappel? „Ik hoop echt dat mensen over een eeuw mijn films hoopvol vinden en begrijpen hoe wij toen leefden. Dat ik films maak, getuigt al van groot optimisme. Als je serieus over de zin van het leven nadenkt, kan je jezelf beter verhangen.”

Tentoonstelling Béla Tarr – Till the End of the World Van 21 januari t/m 7 mei in Eye Filmmuseum, Amsterdam.