Cultuur

Interview

Interview

Revolutionaire flamenco uit de gevangenis

Rocío Molina (32) zoekt de grenzen van de flamenco op. „Voor mij is het heel wat om me op de grond te werpen. Als flamencodanseres ben je niet gebouwd voor de horizontale lijn.”

Het is een even verwarrend als aandoenlijk beeld, als Rocío Molina (32) na de Parijse première van Caída del Cielo (‘Uit de hemel gevallen’) op de receptie verschijnt in het Théâtre du Chaillot. De danseres uit Málaga heeft zojuist met onnavolgbaar exacte en virtuoze zapateados weer wat heilige huisjes omver geschopt van de kunst die zij al sinds haar derde levensjaar beoefent, de flamenco.

Puristen zullen verontwaardigd zeggen dat ze die grenzen heeft overschreden. Maar aan puristen heeft zij geen boodschap. Molina zoekt naar totale vrijheid in haar danskunst en heeft zich in de gelederen van vernieuwers van huidige en vorige generaties geschaard: Israel Galván, Sara Baras, Carmen Amaya, Eva la Yerbabuena.

Er stond een sterke, zelfbewuste vrouw op het toneel van het gerenommeerde theater, waar zij ‘associate artist’ is. Caída del Cielo is ook nadrukkelijk een voorstelling over de vrouw, het vrouwelijk lichaam, de ervaring van het vrouw-zijn. Maar een kwartiertje na afloop staat ze daar, klein, bescheiden, haartjes nat en, zoals vaker als ze op tournee is, een apetrotse moeder in haar buurt. Een meisje.

„Bueno, natuurlijk kan ik er niet onderuit dat ik mezelf in Caída del Cielo duidelijk als vrouw presenteer”, zegt ze de volgende dag, in de marmeren Grande Foyer met uitzicht op de Eiffeltoren. „Maar ik zie mezelf bovenal als danseres met veel verschillende persoonlijkheden. Ik kan ook als man optreden, of als dier, als water. Ik ben niet voortdurend met mijn vrouw-zijn bezig, wil me ook niet positioneren als politiek danseres.”

Waarachtigheid

Dat Caída del Cielo geworden is zoals het is geworden, is het resultaat van een langer proces. Met Impúlsos, een serie improvisatievoorstellingen in musea, parken, langs de Seine, bij de haven van Marseille, in een Franse gevangenis en in de bodega’s van Jerez, zocht ze naar een nieuwe werkwijze, weg van de studio. Een manier om zich te laten veranderen door het landschap. „Op de momenten waarin je bezig bent je lichaam in een andere omgeving neer te zetten, komt er een waarachtigheid naar boven, de waarheid van het moment. Het heeft beelden in mij opgeroepen, herinneringen in mijn lichaam die ik als dagboek van inspiratie heb gebruikt.”

Molina danst een ‘Impúlso’ in Marseille. Lees verder na de video.

Veruit de meest inspirerende locatie, zegt ze zonder aarzeling, was de gevangenis waar ze op een zwaar beveiligde afdeling optrad voor elf vrouwen, en vervolgens voor vijftig mannen. De gevangenen hadden op verzoek van Molina hun favoriete muziek ingestuurd als uitgangspunt voor de dans. Een ratjetoe, van heavy metal tot smartlappen en Michael Jackson („Michael Jackson is trouwens héél erg flamenco”).

Vooral de confrontatie met de mannelijke gedetineerden was zwaar. „Ze waren zo opgewonden en euforisch dat ik moest stoppen. Het werd te heftig. Eén voor één heb ik ze in de ogen gekeken: ‘Ik ben hier de baas.’ Daarna kon ik verder.”

In Caída del Cielo staat Molina ook alleen tussen mannen, vier musici en zangers. Maar zo klein als ze is, zíj is de dominante partij. Al was het maar om haar verbluffend veelzijdige techniek en de manier waarop zij hoekigheid en ronde lijnen combineert en confronteert, tegenstellingen in haar lichaam creëert, spanning. Zowel haar beheersing van de klassieke vormen als haar avontuurlijke experimenten hebben haar al vele belangrijke prijzen bezorgd.

Haar improvisaties bij de elf veroordeelde vrouwen hebben nog directer vorm gekregen in deze voorstelling. In één scène beweegt Molina zich kruipend over de smetteloos witte vloer in een met donkere verf doordrenkte jurk, een (bloederig) spoor achter zich trekkend. „Toen ik die vrouwen in de gevangenis vroeg waar ze de kracht vandaan halen om te overleven, grepen ze allemaal naar hun baarmoeder. ‘Dáár zit die kracht’, lachten ze.” Het gebaar trof haar diep.

Openhartig vertelt ze over de vergeefse pogingen die zij met haar vriendin heeft gedaan om een kind te krijgen. Een pijnlijk en emotioneel proces dat uiteindelijk zonder resultaat bleef. „Ik heb het beleefd als één grote menstruatie. Het confronteert je zo met je vrouw-zijn, met wat er in je lichaam gebeurt, het proces van de baarmoeder, het grotesk vleselijke, het lijden van de vrouw.”

Het zijn niet alleen persoonlijke ervaringen die haar inspireren. Molina is geboeid en beïnvloed door het werk van collega-choreografen, ook van buiten de flamenco. Bosque Ardora (2014), waarin zij als een jachtgodin heerste over acht mannen, hintte met een decor van bomen en een deels met houtsnippers bedekte vloer bijvoorbeeld naar Pina Bausch. Ze maakte daarmee zoveel indruk op de oude balletheld Mikhail Baryshnikov dat hij voor haar op de knieën ging. Vorig jaar ging zij in Felahikum de confrontatie aan met de Koreaanse ballet- en hiphopdanseres Honji Wang.

‘Geboorte van Venus’

Ook literatuur, film en beeldende kunst vormen bronnen van inspiratie. Onvermijdelijk is de associatie met Botticelli als Molina langzaam haar witte jurk afstroopt en onbeweeglijk naakt staat, haar voeten tussen de geschulpte stroken van haar flamencojurk, de handen kuis voor borsten en schaamstreek: ‘De Geboorte van Venus’.

Flamenco kan wat haar betreft niet breed genoeg worden gezien, al is en blijft het haar basis, haar vertrekpunt. „Als ik in de studio bezig ben, zijn er nog altijd momenten dat ik tegen mijn eigen flamencomentaliteit aan loop. Maar daar wil ik overhéén. Voor mij is het heel wat om me op de grond te werpen. Als flamencodanseres ben je niet gebouwd voor de horizontale lijn, maar voor de verticale. Maar ik vond het een mooi beeld en wilde het per se doen. Dat is een zoektocht.”

Naaktheid is in de flamenco helemaal ongebruikelijk. En moeilijk, zelfs voor Molina, die naar eigen zeggen overtuigd nudist is. Het Botticelli-tafereel is ook niet ontstaan als provocatie, maar als oplossing voor een lastig in te passen kostuumwissel. „Schaamte is een te groot woord, maar ik vond het heel ongemakkelijk me op het toneel uit te kleden voor vier mannen. Zij vonden dat overigens ook. Maar het werk vroeg erom.”

Een dergelijke scène mag in de flamencowereld risqué, misschien wel revolutionair worden genoemd. Net als haar vrije omgang met vrouwelijke seksualiteit. Molina tapet zich in een bondagetuigje, danst als Madonna-oude-stijl in een zwart kanten rokje en doet een opzwepend nummertje twerking. Ook neemt ze het (flamenco-)machismo op de hak, paraderend als een parmantige gender bender, een stok tussen haar benen.

Caída del Cielo is zo een portret van een sterke vrouw die telkens weer onverschrokken op avontuur gaat. Een soort Pippi Langkous in Flamencoland. Ze lacht hartelijk om de vergelijking. Misschien heeft zij wel meer verwantschap met de Zweedse heldin dan met de gevallen engel die de titel van haar voorstelling suggereert. „Ik heb respect voor de flamenco, maar ik wil buiten mijn oevers kunnen treden, me overgeven aan mijn dans, totale vrijheid. Ik wil ál mijn fantasieën kunnen volgen.”