Het spectrum tussen hoer en madonna

Vrouwen in westerns brengen ofwel beschaving als een schooljuf of ze zijn losbandig als een stripteasedanseres. Wie kijkt naar de geschiedenis van het genre ziet weinig memorabele vrouwenrollen. Maar dat verandert.

‘Zonder vrouw zou de western niet werken”, vond regisseur Anthony Mann, die in de jaren vijftig het genre vernieuwde door de held een complexe, getourmenteerde psychologie mee te geven. Zijn tijdgenoot en collega Budd Boetticher, ook al zo’n genre-innovator, dacht er heel anders over: „Wat telt is wat de heldin teweegbrengt, waar ze voor staat. Zij laat de held handelen zoals hij doet. Maar van zichzelf is de vrouw niet van belang.”

Die ambivalentie over het belang van vrouwen in de western vind je ook terug in het type rol dat zij spelen. Als er al vrouwen aan westerns meedoen, zijn dat vrijwel altijd stereotypen: moeder of hoer, onderwijzeres of saloon girl, missionaris of stripteasedanseres. Die stereotypen bekrachtigen hardnekkige vooroordelen over sekseverschillen.

Enerzijds is de vrouw een civiliserende kracht die rusteloze, avontuurlijke pioniers die het Wilde Westen veroveren ‘temt’ door ze via een huwelijk tot huiselijkheid te dwingen. De man temt het maagdelijke land, de vrouw domesticeert de man; een mooie ironie.

Anderzijds staat de vrouw voor zondige losbandigheid, voor ongeremde seksualiteit. Het zijn wezens met wie je alles mag doen omdat ze niets waard zijn. Dus worden ze vernederd, mishandeld of zelfs verkracht. Verkrachting door brute indianen is nog erger, dat is een ‘fate worse than death’.

De irrationele angst voor rassenvermenging verbindt zich in westerns moeiteloos met misogynie. In The Searchers (1956) doodt een door wraakzucht verteerde John Wayne net niet zijn door indianen ontvoerde nichtje, ‘Let’s go home, Debbie.’

Mannen zijn zwijnen bij Koolhoven

In Martin Koolhovens Brimstone, een western over vrouwenonderdrukking, vinden we twee van deze stereotypen terug. Carice van Houten speelt Anna, de onderdanige echtgenote die te allen tijde gehoorzaam is aan haar man, zelfs al is hij redeloos, kwaadaardig en gewelddadig – in een schokkende scène zien we hem Anna een muilkorf aanmeten. Het door Dakota Fanning gespeelde personage Liz werkt een tijdlang als hoer in een bordeel, een omgeving waar je wel assertief en goedgebekt moet zijn om te kunnen overleven. Ze rookt en vloekt als ‘een van de mannen’.

Die stoere maskerade verbergt veel pijn, angst en wanhoop. Haar vermogen tot empathie wordt willens en wetens onderdrukt. Dat moet ook wel, alle mannen zijn zwijnen. Slechts heel af en toe schemert haar menselijkheid nog door. In een mooie scène komt ze op voor een collega, maar die ‘sisterhood’ in de dop loopt slecht af. Hoewel Anna en Liz zich aan verschillende uiteinden van het madonna-hoerspectrum bevinden, is er een overkomst tussen hen. Beiden leven in een sadistisch universum waar tederheid en liefde geen plek hebben en allebei worden ze onderdrukt/achtervolgd door dezelfde religieuze fanaticus.

Ten tijde van de première van Brimstone in Venetië zei Koolhoven dit over de marginaliteit van vrouwen in films over het Wilde Westen: „Het idee van een western is toch een beetje iets macho-achtigs. Over wetteloosheid, een soort mythische vrijheid. Maar voor zeker de helft van de populatie gold dat niet. Want die was vrouw. En vrouwen waren niet vrij.”

Halfslachtige pogingen

Wie kijkt naar de geschiedenis van de western ziet bitter weinig memorabele vrouwenrollen. Er zijn de afgelopen jaren wel wat halfslachtige pogingen gedaan om ‘revisionistische’ westerns te maken maar over het feministische gehalte ervan wordt flink gedebatteerd.

Zo speelde Natalie Portman de titelheldin in Jane Got a Gun (2016), maar daarin moet zij uiteindelijk door een man uit de brand worden geholpen. Beter was The Homesman, waarin vrouwen gek worden in de barre omstandigheden van hun nieuwe maar vijandige leefomgeving in het westen van Amerika. Hun mannen zijn hopeloos, ze begrijpen hun vrouw niet of zien ze vooral als iemand waar je altijd op mag klimmen.

Ook Meek’s Cutoff (2010) van Kelly Reichardt en het weinig bekende Ballad of Little Jo (1993) waren films met sterke vrouwenrollen. Reichardt trekt een parallel tussen vrouwen en het lot van Native Americans: beiden werden op brute wijze gemarginaliseerd en letterlijk en figuurlijk tot zwijgen gebracht. Ballad of Little Jo laat zien dat een vrouw, doordat ze zich voordoet als man, het zware bestaan van schaapsherder prima aankan.

Je blindstaren op het aantal mannelijke versus vrouwelijke hoofdrollen is weinig productief. Een film als Stagecoach (1939) laat bovendien goed zien hoe gevaarlijk het is films af te rekenen op stereotypen zonder te kijken hoe zij gebruikt worden. Er zit weliswaar een prostituee in deze klassieker van John Ford, maar Ford laat zien dat zij sympathieker is en wellicht een betere moeder dan de snobistische vrouw die van een baby bevalt tijdens de rit van de postkoets.

En wat te denken van weduwe Claudia Cardinale in Once Upon a Time in the West (1968), een voormalige hoer die een nieuw leven begint als pionier? Het leukst zijn de rollen waarin vrouwen eigenlijk een man (willen) zijn: Doris Day in Calamity Jane (1953), Joan Crawford in broek en bloes in Johnny Guitar (1954) en de stoere matriarch (Barbara Stanwyck) in Forty Guns (1957). Vol bewondering kijkt ze naar het pistool van haar aantrekkelijke voorman en vraagt: „Mag ik het eens voelen?” „Misschien ontploft het in je gezicht”, antwoordt hij, waarop zij zegt „dat risico neem ik”.