Fictief rendement van 4 procent mag van rechter

Spaargeld

Volgens de Bond voor Belastingbetalers moeten spaarders te veel belasting betalen. Er volgen nog vijf rechtszaken.

Foto LEX VAN LIESHOUT / ANP

De rechtbank Breda heeft woensdag uitspraak gedaan in een proefproces over vermogensrendementsheffing. Volgens de Bond voor Belastingbetalers, die de zaak had aangespannen, moesten spaarders in 2013 en 2014 te veel belasting betalen over hun vermogen. De rechter heeft de bond echter in het ongelijk gesteld.

Over spaartegoeden in box 3 moeten belastingbetalers vermogensrendementsheffing betalen. De Belastingdienst gaat ervan uit dat mensen jaarlijks 4 procent rendement maken op hun vermogen, bijvoorbeeld door te beleggen. Dat percentage is vastgelegd in de wet. Over dit zogenoemde ‘fictief rendement’ moeten mensen 30 procent belasting betalen. Dat komt neer op een belastingdruk van 1,2 procent.

De Bond voor Belastingbetalers stelde dat een rendement van 4 procent in de jaren 2013 en 2014 niet realistisch was, en spaarders dus te veel geld hebben moeten afdragen. Volgens de bond betalen 1,8 miljoen huishoudens jaarlijks vermogensrendementsheffing.

Volgens de rechter was een rendement van 4 procent op vermogen in 2013 en 2014 wél haalbaar. En dus is het percentage niet in strijd met het eigendomsrecht vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, schrijft de rechtbank. De Hoge Raad kwam eerder al tot dezelfde conclusie over de jaren 2010 en 2011.

De Bond voor Belastingbetalers vindt het „teleurstellend om te constateren dat de rechtbank niet de moed lijkt te hebben om spaarders rechtsbescherming te bieden”, zegt voorzitter Jurgen de Vries in een verklaring. Deze uitspraak van de rechtbank Breda is de eerste in een serie van zes zaken die de bond is gestart. Daarom heeft deze uitspraak volgens de Bond „nog geen definitieve gevolgen”. De uitspraken van andere rechtbanken volgen „binnenkort”. De uitspraak van de Hoge Raad, waaraan de zes zaken in een later stadium gezamenlijk worden voorgelegd, is „allesbepalend”.