Nôôôh

Met de vriendin leerde ik de Zaankanters kennen, een best volk. We zochten ze wel eens op in hun gebied. De mensen daar wekten de indruk dat ze in het leven vooral wind tegen hadden gehad. Zo weigerden ze de ‘sch’ uit te spreken – waardoor ze het over ‘skool’ hadden als ze ‘school’ bedoelden – en plakten ze achter iedere zin het woord ‘denk’. Waarom was dat? Dachten ze soms dat we in de rest van het land dan denken dat zij over alles nadenken?

Soms zeiden ze ook heel lang niets, wat iets anders is dan geen geluid maken. Ik schrok daar in het begin wel eens van als zo’n oom op een feestje opeens ‘nôôôh’ ging loeien, maar het bleek juist relativerend bedoeld. Je kon maar het beste ‘nôôôh’ terug zeggen.

Iedere streek krijgt de regionale krant die die verdient en in de Zaanstreek is dat een kopkrant van het Noordhollands Dagblad. Zelfs toen het gebied met al die hangjongeren voor de Vomar in de wijk Poelenburg in Zaandam landelijk nieuws was, slaagde de redactie erin om een krant te maken die je met een vertrouwd ‘nôôôh’ terzijde kon leggen.

‘Automobilist botst op lantaarnpaal in Zwaag’.

‘Nôôôh.’

Laatst nomineerden ze Ismail Ilgun tot Zaankanter van het jaar.

Je stelde je zo’n redactievergadering voor. Vijf of zes Zaankanters in een groen huisje die met elkaar zochten naar geschikte kandidaten op wie ze een schijnwerpertje konden richten in de hoop dat er ook een streepje licht op hun krant viel.

„Die tuigvlogger is wel leuk, denk?”

„Nôôôh.”

Op de achtergrond druppelde en pruttelde het koffiezetapparaat.

Gisteren hadden ze er opeens crisisvergadering, het schijnwerpertje was een lichtmast gebleken en nu zaten ze daar met z’n allen met de ogen te knipperen tegen het felle licht.

De oplossing was snel gevonden: bij te veel licht doe je gewoon de lamp uit. De verkiezing voor de Zaankanter van het jaar werd afgeblazen.

Adjunct-hoofdredacteur Gerben van ’t Hek (geen familie) werd aangewezen om het nieuws naar de rest van de wereld te communiceren. Als regionale redactie maakten ze graag onderdeel uit van de lokale maatschappij, zei hij. „Dan zit je niet te wachten op ‘relstemmen’ uit de andere kant van het land” en „een debat op internet dat heel onfris wordt gevoerd”. Daar leende het Noordhollands Dagblad zich niet voor.

Wat Gerben bedoelde, was dat niemand van de mensen met wie hij dagelijks een nieuwskrant in elkaar timmert, had zien aankomen dat het gevoelig ligt om een ‘tuigvlogger’ te nomineren tot Zaankanter van het jaar.

Nôôôh.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.