Recensie

‘Het leven is niet zo zwart-wit als we vaak denken’

Nino Haratischwili

Ze schreef een bekroond epos over een Georgische familie in de Sovjet-Unie in de hele twintigste eeuw. Soms leest het als een sprookje, soms als een thriller. ‘Af en toe moest ik stoppen met schrijven vanwege al die gruwelijkheden.’

Nino Haratischwili: ‘Ik voel me in Duitsland met zijn bureaucratie en gesloten volksaard zeer Georgisch’ Erwin Elsner/Pictura Alliance

‘Ik sta op springen”, zegt de hoogzwangere Nino Haratischwili (Tbilisi, 1983) zodra ze tegenover me zit in het Hamburgse café Unter den Linden. Vandaar dat ik de laatste journalist ben die ze te woord staat voorafgaand aan de publicatie van de Nederlandse vertaling van haar vuistdikke Het achtste leven (voor Brilka).

In deze met de Anna Seghersprijs bekroonde roman vertelt de schrijfster aan de hand van acht bewogen levens de geschiedenis van de Georgische familie Jasji in de 20ste eeuw. En daarmee voert ze je algauw naar de Sovjet-Unie en dan met name naar de dramatische jaren 1924-1953, waarin de eveneens in Georgië geboren tiran Josif Stalin aan het bewind was. Maar ook neemt ze je mee naar het swingende Londen van de jaren zestig en zeventig, naar de Praagse opstand van 1968 en natuurlijk naar de Kaukasus, het woelige gebied waar ze vandaan komt.

Ondanks alle verschrikkingen die haar personages meemaken, is Het achtste leven (voor Brilka) allerminst een gruwelijk boek. De in Duitsland wonende en in het Duits schrijvende Haratischwili presenteert de belevenissen van haar personages als een tragikomisch sprookje met boosaardige trekjes. Daardoor laat ze je na lezing van haar 1300 bladzijden dikke roman met een brede glimlach achter.

Uw boek is een ambitieuze kroniek van een hele eeuw. Was dat ook uw bedoeling toen u met schrijven begon?

„Absoluut niet. Ik wilde een familiegeschiedenis vertellen die zich in het Georgië van de jaren tachtig en negentig afspeelde, toen ook daar de perestrojka (de hervormingspolitiek van Sovjetleider Gorbatsjov, red.) woedde. Die perestrojka bleek het einde van een tijdperk te zijn: in 1991 viel de Sovjet-Unie uiteen en braken in de hieruit voortkomende nieuwe staten overal afscheidingsoorlogen uit. In Georgië gebeurde dat in de provincies Abchazië en Zuid-Ossetië. Over die chaotische tijd wilde ik schrijven. Maar toen ik besefte dat ze er in Duitsland niets van zouden begrijpen, ben ik verder teruggegaan in de tijd. En bij mijn onderzoek ontdekte ik dat Georgië, net als de rest van de voormalige Sovjet-Unie, zijn gruwelijke geschiedenis onder het communisme nog altijd ontkent.”

Wat betekende het schrijven van dit epos uiteindelijk voor u?

„Het was een zeer emotionele gebeurtenis en daardoor was het goed dat er op een gegeven moment een einde aan kwam. Het voelde als een bevrijding.

„Het schrijven zelf was een intensief proces. Ik moest er vaak even mee stoppen, ook omdat ik zoveel vreselijke dingen over die periode las, zoals over het aborteren van zwangere tegenstanders van het systeem, die zich als ‘parasieten’ niet mochten voortplanten.”

Is uw boek autobiografisch? Was uw vader inderdaad een soort Kostja, die carrière maakt bij de geheime politie en eindigt als een hoge KGB’er in Moskou?

„Nee, ik heb altijd een zekere afstand nodig tot mijn verhaal. Wel heb ik in de hoofdstukken die zich afspelen in de jaren negentig veel persoonlijks gestopt. Mijn familie vormde in die tijd geen uitzondering op de meeste andere Georgiërs. Ook wij kenden armoede, verval, werkloosheid, emigratie, dronkenschap, drugsverslaving. En dan nog is niets in mijn boek één op één. Ik had het nooit autobiografisch kunnen schrijven.

„Anders dan in mijn boek was niemand in mijn familie dan ook bij de geheime politie. Wel sympathiseerde een oudoom met Stalin. Hij was een interessante, leuke en lieve man, een fijne familievader.”

Lijkt Stasia, de sympathieke overgrootmoeder van vertelster Nitsa Jasji, ook niet een klein beetje op uw grootmoeder?

„Stasia is een nerveuze opportunist. Mijn grootmoeder was een actieve vrouw, een ingenieur die een bouwbedrijf leidde. Ook was ze zeer belezen. Fascinerend is dat ze onder tafel een verboden schrijver als Michail Boelgakov las en tegelijkertijd carrière maakte binnen het communistische systeem. Het hele socialisme was nogal ambivalent. Op mijn zestiende, toen ik veel radicaler was dan nu, veroordeelde ik zo’n houding, maar nu zie ik in dat het leven onder het communisme heel vloeibaar was.”

Een constante factor in uw boek is een geheim chocolade recept, dat als een soort vloek functioneert. Zijn niet al uw personages vervloekt?

„Voor mijn boek heb ik met veel mensen gesproken. Telkens als we het over hun lotgevallen tijdens het communisme kregen, zeiden ze dat ze toen overgeleverd waren aan het lot. Ze konden niet anders dan het Sovjetsysteem accepteren. Verzet kwam niet in hen op, alsof ze hun leven niet in eigen hand hadden. Die overgave aan het lot heeft iets fatalistisch.

„In mijn boek stel ik als een soort rode draad voortdurend de vraag of dat gevoel van lotsbestemming er nog steeds toe doet. Juist omdat we in het Westen in de illusie leven dat we alles zelf kunnen bepalen en het lot niet bestaat. Ook wilde ik dat mijn lezers zich zouden afvragen in hoeverre dat echt zo is en in welke mate we overgeleverd zijn aan bijvoorbeeld het politieke systeem waarin we leven. Ik heb daar niet zo’n duidelijk antwoord op gevonden. Sommige van mijn personages geloven in die vloek en het lot, terwijl anderen het onzin vinden.”

Uw vertelster Nitsa Jasji is een eerlijke, open vrouw, die niet in het lot gelooft. Haar zuster Daria is heel anders. Wat is zij voor iemand?

„Alles komt Daria aanvankelijk aanwaaien – ze is mooi, geliefd, rijk, de hele wereld behoort haar toe, mede dankzij haar machtige grootvader, de KGB-officier Kostja. Ze is een kleine koningin, en dan valt ineens alles in duigen. Bovendien heeft ze een man die haar niet geeft wat ze van hem verlangt. En dan komt er een eigenschap om de hoek kijken die je bij veel Georgische vrouwen ziet en die me woedend maakt: een ziekelijke neiging tot zelfopoffering, het gevoel dat niets heerlijkers is dan je eigen leven op te offeren ten gunste van je man en kinderen. In Georgië met zijn machocultuur is het doodnormaal dat vrouwen zoiets doen.”

De KGB’er Kostja Jasji is een van uw belangrijkste personages. Waarom heeft u van hem zo’n genadeloze man gemaakt?

„Hij is een voorbeeldig vertegenwoordiger van de Sovjet-elite en gelooft altijd het juiste te doen. Eerzuchtig als hij is en gevormd door de Tweede Wereldoorlog probeert hij de staat zo goed mogelijk te dienen. Maar om zijn dochter te beschermen tegen dissidente invloeden, laat hij wel haar opstandige vriendje opsluiten, die vervolgens omkomt.

„Toch heeft Kostja ook zachte kanten en dat maakt hem tot een ambivalent persoon. Zoals alle personages in mijn boek ambivalente mensen zijn. Het leven is tenslotte niet zo zwart-wit als velen denken.

„Aan het einde van zijn leven – de Sovjet-Unie is dan ingestort – vraagt hij aan Nitsa waar alle Stalin- en Leninbeelden zijn gebleven. Pas dan beseft hij dat alles waarvoor hij zich heeft ingezet voor niets is geweest en hij in leugens en illusies heeft geleefd.”

Je kunt Kostja spiegelen aan zijn beste vriend Grigori, die na de oorlog als geheim agent in Londen woont en heel anders over de Sovjet-Unie denkt.

„Grigori moet in Londen overgelopen Russen terug lokken naar de Sovjet-Unie, waar ze zullen worden geëxecuteerd. Anders dan Kostja is hij een mens zonder illusies, die zich ervan bewust is dat hij vuil werk doet. Aan het einde van zijn leven raakt hij aan de drank en beseft hij dat hij zijn carrière aan de geheime-politiechef Lavrenti Beria dankt, die mogelijk zijn biologische vader is.”

Stalins beroemdste beul Beria figureert in uw boek als een charmante verpersoonlijking van het kwaad.

„Over Beria doen veel verhalen de ronde dat hij aan de lopende band vrouwen en jonge meisjes zou hebben ontvoerd en verkracht. Maar hij heeft ook de reputatie van een romanticus. In de jaren negentig nog vertelde een beroemde actrice op de televisie dat hij een geweldige minnaar was. Ook hij was dus een ambivalente persoonlijkheid.”

Het personage Christine, de zuster van Stasia, verandert in de loop der jaren het meest. Ze trouwt uit berekening met een hoge Georgische NKVD’er (voorloper van de KGB, red.) en sterft aan het einde van het boek op de barricades, tijdens een protestdemonstratie tegen de Russische overheersers van haar land.

„Christine wordt met de jaren sterker. Maar ze is me niet minder sympathiek dan mijn andere personages. Ik heb ook zo lang met hen doorgebracht, van hun geboorte tot aan hun dood, bijna 1300 bladzijden lang. Net als mijn andere personages is ze menselijk, tegenstrijdig en ambivalent tegelijk.”

U beschrijft de Georgische hoofdstad uit de eerste decennia van de 20ste eeuw alsof u erbij bent geweest. Hoe is u dat gelukt?

„Tot de bolsjewieken in 1921 Georgië inlijfden, was Tbilisi een welvarend handelscentrum tussen Oost en West. Kunstenaars uit heel Europa reisden er naartoe en traden er op. Na 1921 werd het er somber. Ik heb veel kranten uit die tijd gelezen, die de sfeer heel goed weergaven. Vooral de nieuwspagina’s gaven het dagelijks leven goed weer. Zelfs als het over een sportwedstrijd of een schaaktoernooi ging, was er sprake van een bastion tegen het kapitalisme. In een Georgisch-talig artikel las ik zelfs dat de ziel van de Georgiërs tot bloei was gekomen sinds de Russen het land hadden bezet.”

Werd de Sovjet-Unie bepaald door een systeem van moord en onderdrukking?

„Het antwoord op die vraag weet ik niet. Als je mensen zekere kaders geeft waarbinnen ze kunnen doen wat ze willen, dan zijn ze tot de vreselijkste dingen in staat. Ik vind het al immoreel dat je in het dagelijks leven iemand niet ongestraft mag doden en dat dit in een oorlog gewoon wordt toegestaan.

„Het is makkelijk om te zeggen dat de Sovjetstaat alleen uit moordenaars bestond. Tenslotte deed de hele samenleving eraan mee. Mijn eigen familie is grotendeels gespaard gebleven, maar veel van mijn vrienden hebben tijdens Stalin of de Tweede Wereldoorlog hun grootouders verloren.”

In uw boek spiegelt u de Sovjet-Unie steeds aan het Westen. Die laatste wereld is voortdurend in beweging, maar de Sovjet-Unie lijkt stil te staan. Hoe komt dat?

„In de Sovjet-Unie bestond geen openbaar leven, want dat werd in alle opzichten door de staat bepaald, tot in films en toneelstukken aan toe. Het individu bestond alleen in achterkamertjes. En daardoor stagneerde de Sovjetsamenleving in vrijwel alle opzichten. Dat heb ik willen laten zien.”

Laat u daarom Kitty, de zuster van Kostja, met diens hulp naar het Westen vluchten, nadat ze tijdens een vechtpartij per ongeluk zijn maîtresse heeft gedood?

„Kitty is een tragische figuur. Ze maakt in het Westen carrière als zangeres, maar vindt er zichzelf niet, omdat ze Georgië zo mist. Als ze in Londen de KGB-agent Grigori ontmoet, die namens Kostja op haar moet letten, wordt hij de verpersoonlijking van haar geboorteland. Iedereen die onvrijwillig uit de Sovjet-Unie was geëmigreerd, verlangde terug naar dat land, waarvan ze zich afgesneden voelden.”

Voelt u zich ook zelf niet tot op zekere hoogte een balling in Duitsland?

„Ik voel me in dit land met zijn bureaucratie en gesloten volksaard zeer Georgisch. Ik kan mezelf namelijk niet opsplitsen. Op mijn moeder na, die ook in Duitsland woont, zit mijn hele familie in Tbilisi – ik zoek ze twee keer per jaar op. Maar tegelijkertijd hou ik van Duitsland met zijn duidelijke maatschappelijke structuren en verantwoordelijkheid. Ik ben hier graag.”

Nino Haratischwili (Tbilisi, 1983) studeerde filmregie in Tbilisi en theaterregie in Hamburg. Haar toneelteksten werden meermaals bekroond.

Voor haar romandebuut Juja (2010) kreeg ze de debuutprijs van het Buddenbrookhuis in Lübeck. Ook haar tweede roman Mein sanfter Zwilling (2011) werd bekroond. In 2014 verscheen haar derde roman, Das achte Leben (Für Brilka).