Recensie

Hersenschimmen in de mist

Biografie

Rémon van Gemeren switch in zijn biografie over Louis Couperus tussen feit en fictie.

Louis Couperus, 1917, in Laren Foto Letterkundig Museum

‘Wat ging er door Louis heen toen hij alleen met zijn ouders op een enorme Franse stoomboot terug naar Nederland voer?’ vraagt Rémon van Gemeren (1979) zich af in zijn omvangrijke biografie Couperus. Een leven. Er volgen in die ene passage over de tocht in 1878 van het voormalige Nederlands-Indië naar Nederland nog meer zinnen met vraagtekens: ‘Maar wat ging er door zijn hoofd, terwijl hij zich, bijna vijftien, machteloos liet meeslepen in zijn puberale nukkigheid? Wat lag er in de nabije toekomst, om niet te spreken van de verre toekomst?’ Een verklaring voor die ‘puberale nukkigheid’ ontleent Van Gemeren aan een feuilleton uit De zwaluwen neêrgestreken... (1911) Hierin staat: ‘Er was niemand meer, die je liefkoosde. En als er iemand lief tegen je probeerde te zijn, was je stug, of zelfs onbeleefd, en liet je niet liefkoozen.’

Hiermee belanden we bij het grote probleem van deze biografie: een scheepsreis van de veertienjarige Couperus krijgt een psychologische duiding uit een verhaal van ruim een kwart eeuw later. Niet alleen twee tijden lopen door elkaar, ook verbindt Van Gemeren onomwonden Couperus’ leven met zijn werk.

Verrassing

Voor Couperus-liefhebbers verschijnt deze biografie als een volkomen verrassing. Van Gemeren, gymnasiumdocent, wijdde eerder een groot aantal artikelen aan Couperus. Ieders ogen waren echter gericht op de biografie waar hoogleraar H.T.M. van Vliet aan werkt, de eminente tekstbezorger van De Correspondentie en de Volledige Werken.

Van Gemeren presenteert zijn biografie als een ‘voor iedereen betrekkelijk nieuwe Couperus’. Maar waaruit bestaat dat nieuwe? Meteen in de inleiding geeft hij toe dat er weinig vaststaat over Couperus’ leven. Zijn rol als biograaf beschouwt hij als zoeker in een ‘schijnbaar oneindig mistige weide, en wie speurt naar Couperus, ontdekt een tamelijk dikke mist. Meer dan een schim valt hierin niet te vinden, op zijn best een heldere schim, om precies te zijn een hersenschim’.

Het vreemde is dat Van Gemeren zich in het biografische genre weinig thuis lijkt te voelen. Niet alleen in de inleiding, bijna op elke bladzijde varieert hij op wat het motto van zijn studie kan zijn: ‘Couperus heeft vele malen beweerd dat de waarheid ondoorgrondelijk is en wijzelf een onoplosbaar raadsel blijven.’ Dat hindert niet, aldus Van Gemeren, zolang de mens ‘kan genieten van een wereld die hij niet wezenlijk begrijpt.’

Om greep te krijgen op het leven van Couperus (1863-1923) moet de biograaf noodgedwongen zijn toevlucht zoeken tot het literaire oeuvre. Couperus’ eerdere biograaf, Frédéric Bastet met Louis Couperus. Een biografie (1987), is op deze methode hard afgerekend. Van Gemeren past min of meer dezelfde methode toe. Zonder blikken of blozen beschouwt hij Hugo Aylva, hoofdpersonage in de roman Metamorfoze (1897), als alter ego van Couperus en hanteert hij diens zielenroerselen om de schrijver te doorgronden. Op deze manier dienen tal van personages – van Eline Vere uit de gelijknamige roman tot resident Otto van Oudijck en zijn vrouw Léonie uit De stille kracht – tot bron voor uitweidingen over Couperus’ psyche.

Riskante aanpak

In wetenschappelijk opzicht is het riskant wat Van Gemeren doet. Terecht plaatst hij keer op keer vraagtekens en disclaimers bij zijn eigen methode. Dit is de biografie van de vraagtekens en van de overtuiging dat de werkelijkheid onkenbaar is, zoals Van Gemeren aantoont aan de hand van Kant, Hegel, Derrida en tal van anderen.

Gaandeweg het boek, als je eenmaal gewend bent aan dat switchen tussen levensverhaal en fictie, levert dat gelukkig ook boeiende passages op. Het herhaaldelijk benadrukken van het mysterie Couperus gaat ook verslavend werken. De lezer raakt benieuwd naar welke overeenkomsten nu weer aan bod komen. Couperus’ homoseksualiteit krijgt nadere uitleg aan de hand van de genoemde Aylva, maar ook aan de hand van homoseksuele auteurs uit dezelfde periode, onder wie Oscar Wilde.

De biografie heeft een strakke opbouw die de soms extreme wijdlopigheid maskeert. Nadat de nogal schaarse levensfeiten zijn gegeven, volgen de boeken die Couperus in die periode schreef, en de samenvattingen en recensies. Die zijn vaak ongenadig hard. Verwijten als pornografie, mooischrijverij, huilerigheid en zedenbedervend zijn niet van de lucht. Naar aanleiding van de voordrachten die Couperus later in zijn leven in Indië gaf, noemde de pers hem een ‘mallotige zelfingenomen aansteller’ en zelfs een ‘dikwijls hysterische gekkentaal schrijvende auteur.’ Couperus is ontgoocheld, want Indië is hem dierbaar. De bladzijden die Van Gemeren aan deze deceptie wijdt, getuigen van groot inlevingsvermogen. Opeens begint de schrijver te leven. De beste bladzijden uit deze biografie zijn die waarin cruciale begrippen als flaneur, dandy, Übermensch, theosofie, futurisme, naturalisme, homoseksualiteit en decadentie aan bod komen. Dat neemt niet weg dat Couperus in deze biografie de hersenschim blijft die hij al was.