Opinie

De waarheid is: we herkennen jihadisten niet tussen asielzoekers

Opinie De verwachtingen over de screening van asielzoekers zijn te hoog, schrijven criminologen Joris van Wijk en Maarten Bolhuis. Minister Van der Steur kan beter dát zeggen dan ons in slaap sussen.

Na de aanslag op de kerstmarkt in Berlijn vragen we ons ook in Nederland af of de overheid genoeg doet om jihadisten onder asielzoekers te herkennen. Zeker nu de Inspectie voor Veiligheid en Justitie tekortkomingen heeft vastgesteld bij de screening. „De terroristen halen we er later uit”, zei minister Van der Steur in De Telegraaf, in reactie op het inspectierapport waarin staat dat de controle van binnenkomst van asielzoekers slechts een eerste van vele stappen is. ‘Gaat u rustig slapen’, had hij net zo goed kunnen zeggen.

Klinkt geruststellend, maar is het ook realistisch? Ruim een maand geleden kwam het rapport Jihadisme en de vreemdelingenketen uit, dat wij in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie hebben geschreven. De conclusies van het rapport werpen een ander licht op de geruststelling van de minister. Medewerkers van organisaties in de vreemdelingenketen, zoals IND en COA, stellen dat de verwachtingen van de buitenwereld over hun mogelijke bijdrage aan het signaleren van terrorisme vaak te hoog zijn. Zij kunnen zich gesteund voelen door wetenschappelijke literatuur, waaruit blijkt dat het bijzonder moeilijk is om tot een betrouwbare systematiek te komen om jihadisten te herkennen. Zo is het gebruik van risicoprofielen en indicatoren op basis van uitingen, uiterlijke kenmerken of gedragingen controversieel. Het is niet effectief en kan negatieve neveneffecten hebben, zoals stigmatisering. In het rapport plaatsen respondenten van de veiligheidsdiensten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dan ook kanttekeningen bij het gebruik van indicatorenlijsten. Op jihadistische social media wordt expliciet aangeraden om zo min mogelijk op te vallen en als een binnenreizende jihadist zich normaal gedraagt en een zekere mate van koelbloedigheid heeft, is de uitdaging om zo iemand eruit te vissen bijzonder groot.

Tegelijkertijd constateren wij dat van een organisatie als de IND wél verwacht wordt dat zij alert is en jihadisten onder asielzoekers kan herkennen. Vanwege de korte contactmomenten die IND-medewerkers met asielzoekers hebben, bestaat bij hen een sterke behoefte aan concrete handvatten die hen daarbij kunnen helpen. Gevolg is dat de IND een ingewikkelde boodschap voor haar medewerkers heeft. Zij krijgen te horen dat bepaald gedrag (geen hand aan een vrouw willen geven), bepaald taalgebruik, of uiterlijke kenmerken op jihadisme kúnnen wijzen. Medewerkers wordt ook op het hart gedrukt dat de indicaties niet uitputtend zijn, dat de focus niet enkel op deze indicaties moet liggen, dat ze vooral op hun ervaring en professionele intuïtie moeten vertrouwen. Een complexe opdracht voor professionals die druk zijn met het beoordelen van asielverhalen.

Bottomline van het rapport is dat de vreemdelingenketen serieuze inspanningen verricht om jihadisme onder asielzoekers te herkennen, maar dat het daadwerkelijk signaleren erg moeilijk is. Bovendien is onduidelijk of gebruikmaking van indicatorenlijsten niet meer kwaad dan goed doet. Het wekt dan ook verbazing dat de minister in de beleidsreactie op ons rapport niet is ingegaan op dit knelpunt en onze aanbeveling om de voor- en nadelen van het gebruik van indicatorenlijsten goed te monitoren en evalueren.

Alhoewel de minister eerder stelde dat ‘honderd procent veiligheid’ niet bestaat, wekt zijn opmerking dat terroristen ‘er later uit te halen zijn’ ten onrechte de suggestie dat IND of COA daadwerkelijk in staat zijn om binnenreizende jihadisten te herkennen. Naar onze overtuiging is iedereen er meer bij gebaat als de minister erkent dat de overheid al het mogelijke doet om jihadisten onder asielzoekers te herkennen, maar dat eigenlijk niemand goed weet hoe dat te doen. Dat slaapt misschien minder lekker dan Van der Steurs sussende woorden, maar doet wel meer recht aan de werkelijkheid.