Commentaar

Arbeidsmarkt wil evenwicht

Op weinig beleidsterreinen heeft een nieuw kabinet na de verkiezingen zoveel werk te verzetten als op het gebied van werk. De arbeidsmarkt, de verhouding tussen vaste en flexibele arbeidscontracten en een houdbare toekomst van pensioenen en AOW staat dit jaar op de agenda. Opnieuw. Het kort geding van de vakbonden, maandag, tegen uitvaartonderneming Monuta over een reorganisatie waarbij een deel van het personeel in wezen zzp’er zou moeten worden, onderstreept hoe actueel de kwestie is.

De cijfers over de economie en de arbeidsmarkt spreken optimistische taal. In november zakte de werkloosheid voor het eerst sinds 2012 weer onder het half miljoen mensen. Maar achter de gunstige cijfers gaat ernstige politieke verdeeldheid schuil. Het kabinet-Rutte heeft geprobeerd om met wetgeving de arbeidsmarkt te moderniseren, maar de pijnlijke conclusie is dat de VVD-PvdA-coalitie daarin niet is geslaagd. De Wet werk en zekerheid van minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) heeft vooralsnog niet geleid tot de beoogde toename van werknemers met een vast contract en de afname van die met een flexibel contract.

De andere cruciale wet, de Wet DBA van staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën, VVD), wilde de verhouding tussen opdrachtgevers en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) verduidelijken en een eind maken aan schijnconstructies. Het kabinet heeft na aanhoudende kritiek over de onwerkbaarheid van de wetgeving eind vorig jaar het toezicht op de uitvoering ervan opgeschort. Kenmerkend voor de verwarring is dat het uiteindelijk op staatssecretaris Wiebes neerkwam om de wet op sterk water te zetten. Toch is dit in essentie arbeidsmarktwetgeving en moeten de bewindspersonen op het ministerie van Sociale Zaken hier de leiding nemen.

Het nieuwe kabinet zal zich op de arbeidsmarkt moeten beijveren voor eenvoudiger regels en voor een goede balans tussen ondernemersvrijheid en werknemersrechten. De opeenhoping van verplichtingen bij (kleine) werkgevers, zoals doorbetaling bij ziekte, is daarbij niet bevorderlijk voor de groei van het aantal vaste contracten.

Op hoofdlijnen gelden deze aanbevelingen van vereenvoudiging en evenwicht ook voor een nieuw pensioenstelsel. Het debat hierover heeft tot nu vooral een technisch karakter. Dat is begrijpelijk. De problematiek is complex. Kleine wijzigingen kunnen over tientallen jaren vergaande gevolgen hebben. En sommige deelnemers aan de discussie, zoals vakbond FNV, bewaren slechte herinneringen aan eerdere pogingen. Het is echter nu tijd dat het debat wordt verbreed, opdat een nieuw kabinet voor doorbraken kan zorgen op de arbeidsmarkt en bij pensioenen.