Recensie

Operahart Pappano spreekt

Hier en daar waren de verhoudingen niet optimaal, maar het Concertgebouworkest ronkte in de slotdelen als een geolied precisiemechaniek.

Dirigent Antonio Pappano Foto Richard Cannon / ANP

Het was even geleden sinds Antonio Pappano het KCO dirigeerde. In 2013 leidde hij het orkest voor het laatst tijdens het Prinsengrachtconcert. Stond toen Tsjaikovski’s Ouverture 1812 op het programma, gisteren verscheen diens Vioolconcert in D op de lessenaars.

Artist in residence Lisa Batiashvili tekende voor de solorol. Evenals op haar recente Deutsche Grammophon-release (met Barenboim en de Staatskapelle Berlin) gaf de Georgische een Tsjaikovski-lezing, waarin volbloed romantiek hand in hand ging met klassieke lichtheid.

Neem het eerste deel: met soms een wufte glijtoon, puntig gespeelde ritmiek en een slank maar krachtig geluid joeg Batiashvili een frisse wind door de bekende noten. Jammer dat Pappano de fortissimo’s in de toch al bombastische orkestpassages erg hoog oppookte, waardoor de balans tussen pezige wendbaarheid en potige spierballentaal niet altijd even helder was.

Ook in de openingsmaten van de ‘Canzonetta’ waren de verhoudingen niet optimaal. Waar Batiashvili mikte op poëtische fluistertonen, daar gooide een indringende hoorn roet in het eten. Stond tegenover dat soliste en orkest elkaar feilloos aanvoelden in een verzengende finale.

In Dvořks Negende symfonie liet Pappano zijn operahart spreken. Mooi hoe hij in het Allegro de dramatische contrasten tussen thema’s op spanning zette. Het Largo tuigde hij op rondom de zangerige blazerslijnen, een aanpak die zich uitbetaalde in prachtig gefraseerde althobosolo’s en vloeibare houtklanken. In de slotdelen ronkte het KCO als een geolied precisiemechaniek.