Recensie

In een zee van wit

Roman In Inham moet een man met geheugenverlies in een kajak op volle zee zijn weg terugvinden. Het levert een briljant, bijna mythologisch verhaal op.

Foto WoodyUpstate/iStock/Getty Images

Deze recensie gaat over witregels. Ook over tekst, natuurlijk: de tekst van Inham, de nieuwe roman van de Welshman Cynan Jones (1975). Maar het bijzondere van die roman is dat de witregels zeker zo belangrijk zijn als de tekst, en net zo goed werken als de tekst.

Inham is een kleine, uitzonderlijk goede roman over een man in een kajak die voor de kust getroffen wordt door de bliksem, en met een haperend geheugen ontwaakt op volle zee, en zijn weg terug moet vinden – zowel in zijn hoofd als op het water.

Dat proces wordt door Jones subtiel en zorgvuldig beschreven. De lezer vindt langzaam zijn weg in het boek. Eerst is er een proloog, die bij nader inzien over de vrouw van de man gaat, die langs de kust op zoek is. Daarna komen we bij de man in de kajak, en daar blijven we, op een enkele perspectiefwisseling (naar een jongen met een verrekijker aan de kust) na.

De man is de zee op gegaan om de as van zijn vader te verstrooien, maar na de blikseminslag is alles anders: hij is gewond, hij bevindt zich in een tijdloos universum waarin hij zich over alles verwondert en waarin voortdurend onheil dreigt. Het is een bijna mythologisch verhaal, en op een beheerste, bijna kalme manier ijzingwekkend, als een lucide nachtmerrie – en dat komt ook door de vorm die Jones heeft gekozen.

Hoe goed Cynan Jones zijn stijl beheerst, blijkt vooral als die ontbreekt

Jones vertelt het verhaal in doorgaans korte alinea’s, die van elkaar zijn gescheiden door witregels; soms zelfs door dubbele of driedubbele witregels. Elke alinea wordt zo een klein teksteiland in een zee van wit. Door de vertraging die de vormgeving je oplegt, word je gedwongen je gebruikelijke leestempo op te geven en aandachtiger te lezen. Het resultaat is concentratie, verstilling, begaanheid met het lot van het personage.

Dat de door Jones gekozen vormgeving werkt, is knap, want zoiets kan gauw verkeerd uitpakken. In handen van minder getalenteerde auteurs zouden al die nadrukkelijk aanwezige witregels werken als de literaire variant van Veelbetekenende Stiltes in Europese arthousefilms uit de jaren zeventig. Maar bij Jones is het effect niet pompeus of overdreven; de vorm versterkt de fragiele, breekbare aard van zijn verhaal. Wat ook helpt is dat Jona Hoek van witregels en tekst mooi Nederlands heeft gemaakt.

Jones weet goed wat hij doet: Inham is niet het eerste boek waarin hij zijn alinea’s met witregels omspoelt. Hij deed het ook in zijn bekroonde debuut The Long Dry (2007) en in zijn derde roman, The Dig, uit 2014 (vertaald als De Burcht). Ook dat zijn kleine, aangrijpende romans, die door hun vormgeving tot langzaam en zorgvuldig lezen dwingen. Beide hebben als hoofdpersoon een zwijgzame, kwetsbare boer die het hoofd moet bieden aan dreiging van natuur en mens – niet helemaal onvergelijkbaar met een gewonde man in een kajak op volle zee.

Hoe goed Jones zijn stijl beheerst, blijkt vooral als die ontbreekt. In zijn tweede roman, Everything I Found on the Beach (2011) wordt het verhaal op conventionele wijze verteld, zonder witregel na elke alinea. Hoofdpersoon is een visser met problemen die in een aangespoelde rubberboot een pakket drugs aantreft. Het verhaal begint na een aantal hoofdstukken te slepen, de overpeinzingen van de visser worden saai en repetitief en daardoor krijgt het iets looiigs en nadrukkelijks. Het is ook omvangrijker dan Jones’ andere romans, het telt meer dan tweehonderd pagina’s. Een roman met een normale vorm en een normale lengte – hopelijk was dat een eenmalig uitstapje van Jones.

In zijn beste werk toont Jones zich de meester van de witregel, maar het aangrijpende effect van zijn teksten behaalt hij uiteraard ook door de woorden en zinnen waarmee hij het wit van de pagina onderbreekt. In Inham beschrijft Jones de lotgevallen van de man in de kajak in geconcentreerd, registrerend proza waarachter veel emotie schuilt. Op bepaalde momenten krijgt de tekst een naïeve plechtstatigheid die ontroert en goed past bij de man met zijn door de bliksem leeg geslagen hoofd. Dreiging en breekbaarheid worden eerder gesuggereerd dan expliciet gemaakt, mede door goed gekozen beeldspraak: een hoest is ‘gemaakt van glas’, bliksem wordt omschreven als ‘een draad van elektrische helderheid’.

Jones’ werk doet denken aan dat van Jon McGregor. Beiden verstaan de kunst in de huid van hun personages te kruipen en tegelijkertijd afstand te bewaren. Juist door die schijnbaar bescheiden opstelling kan hun proza compassie oproepen zonder sentimenteel te worden. Een schrijver moet zijn plaats weten: als je iemand wilt laten zien, moet je niet te dichtbij komen, maar een paar passen achteruit doen. Zo geef je je personage ruimte, bewegingsvrijheid; en je geeft ruimte aan het lot, waartegen verzet uiteindelijk zinloos is.