Opinie

Help ook de kapper die zich wil nascholen

Geef lager opgeleiden evenveel scholingsbudget als hoger opgeleiden, schrijft

Minister Jet Bussemaker van OCW heeft in een brief aan de Tweede Kamer maatregelen aangekondigd die gelijke kansen voor alle leerlingen en studenten moeten bevorderen. Jammer genoeg zullen deze plannen een marginaal effect hebben.

Sinds jaar en dag worden in ons onderwijsstelsel jongeren te vroeg geselecteerd en worden degenen met de beste geestelijke bagage onevenredig bevoordeeld. Zijn deze jongeren eenmaal van het voortgezet onderwijs af, dan gaat de bevoordeling nog jaren door.

Een voorbeeld: Ahmed heeft het schooladvies vwo gekregen. Hij doorloopt het vwo in zes jaar. Ahmed gaat daarna aan de TU in Delft studeren. Bachelor in drie jaar, master daarna in nog eens twee jaar. In totaal doet Ahmed 11 jaar over zijn opleiding voordat hij op de arbeidsmarkt komt. Hij is dan 24.

Mieke heeft het schooladvies vmbo-basis gekregen. Zij doorloopt het vmbo in vier jaar. Mieke gaat daarna een ‘niveau 2 kappersopleiding’ doen aan een roc, duur: twee jaar. Mieke gaat hierna werken. Zij is dan 18. Als Mieke wil doorleren naar een hoger niveau, wordt dat door het ministerie ontmoedigd door lagere bekostiging beschikbaar te stellen: naarmate een student in het mbo langer doorleert, komt er minder geld voor hem of haar beschikbaar.

Waarom altijd over hoog en laag opgeleid? De rangen en standen van hoog- en laagopgeleid

Ahmed heeft blijkbaar elf jaar het ‘leerrecht’ om ‘bekostigd’ onderwijs te volgen. Voor Mieke geldt een termijn van zes jaar. Ahmed komt heel waarschijnlijk in de positie dat zijn toekomstige werkgevers het belang inzien van permanent leren en daarin ook willen investeren, zodat Ahmed zijn waarde voor de werkgevers behoudt en ook gewild blijft op de arbeidsmarkt. Bij Mieke zou dat ook kunnen, maar die kans is minder groot omdat zij waarschijnlijk in het midden- en kleinbedrijf werkzaam zal zijn, waar de scholingsmogelijkheden gering zijn.

Als je spreekt over gelijke kansen in het onderwijs, zou je het moeten hebben over dezelfde leerrechten voor iedereen. De overheid draagt per student jaarlijks bij aan de kosten van het onderwijs. Afhankelijk van de opleiding en de onderwijssector is dat een bedrag tussen de 6.000 en 8.000 euro. Stel dat Ahmed en Mieke gelijke ‘leerrechten’ hebben, elf jaar; in dat geval heeft Mieke nog vijf jaar te goed. De bekostiging zou voor haar nog beschikbaar moeten zijn.

Als de overheid iets aan gelijke kansen wil doen, dient ze gelijke scholingsrechten te creëren. Mieke en haar werkgever moeten een beroep kunnen doen op financiële ondersteuning om gekwalificeerd te blijven voor de arbeidsmarkt. Kortom: een scholingsbudget voor het leven. De financiering van dit scholingsbudget is een uitdaging, maar niet onmogelijk. De middelen die vrijkomen na afschaffing van de basisbeurs in het hoger onderwijs kunnen hiervoor worden aangewend. Het gaat om enkele honderden miljoenen euro’s.

Het hoger onderwijs is van mening dat dit geld ingezet moet worden voor de kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs. Maar dat is om twee redenen geen houdbare positie. Allereerst heeft het budget nooit deel uitgemaakt van de bekostiging van het hoger onderwijs. Ten tweede zijn de solvabiliteitposities in het hoger onderwijs van dien aard dat extra middelen niet nodig zijn. Het geld klotst er nu al tegen de plinten. Investeren in de toekomst van onze jongeren houdt niet op bij de beëindiging van hun schoolloopbaan. Permanente scholing met financiële ondersteuning middels een persoonlijk scholingsbudget creëert gelijkere kansen en stimuleert een leven lang leren in een snel veranderende arbeidsmarkt.

Ik doe een oproep aan mijn collega-bestuurders in het mbo en de onderwijswoordvoerders in de Tweede Kamer om met mij mee te denken en in actie te komen om in het onderwijs daadwerkelijk gelijke kansen voor iedereen mogelijk te maken.