Column

Alice Neel

De late erkenning van schilder Alice Neel (1900-1984) krijgt iets onbegrijpelijks als je langs al die indrukwekkende portretten in het Gemeentemuseum van Den Haag dwaalt. Ze moeten figuratieve kunst gehaat hebben, die conservatoren van de grote musea die haar werk negeerden tot ze over de zestig was.

Toen ze in 1974 in het Whitney Museum in New York eindelijk een overzichtstentoonstelling kreeg, weigerden de conservatoren schilderkunst hun medewerking; de conservator prenten moest het maar opknappen. Het Whitney nota bene, dat wel – en terecht – de deuren wagenwijd openzette voor een verwante schilder als Edward Hopper. Kwam het doordat ze een (eigenzinnige) vrouw was? Collega-schilder Barkley Hendricks zei over haar: „Ze was een grote persoonlijkheid, en erg eerlijk en open, zozeer dat het veel mensen in de kunstwereld afstootte. Maar ze had gelijk.”

Ze noemde haar werk niet puur realistisch, maar „een combinatie van realisme en expressionisme”. Ze was vooral een puur autobiografische schilder. Haar hele leven trekt op zo’n tentoonstelling aan je voorbij. De vele minnaars, haar kinderen, al die New Yorkse kunstenaars. Een van haar mooiste schilderijen, Carmen and Judy, toont haar Haïtiaanse schoonmaakster Carmen die haar doodzieke kind tevergeefs de borst probeert te geven.

Men schrok van haar schilderijen. Modellen vonden dat ze niet flatteus genoeg werden afgebeeld, feministen maakten bezwaar tegen al die zwangere buiken, haar naakten waren confronterend. Ik was benieuwd naar haar naaktschilderij uit 1933 van Joe Gould, een bekende zwerver-bohémien uit New York. Om controversen te vermijden hing een universiteit in Portland het in de kast van de conciërge.

Gould had een exhibitionistische aard en viel op feestjes vaak vrouwen lastig. Ze beeldde hem naakt af op een krukje met in totaal vijf penissen: uit zijn navel, zijn schaamstreek en het krukje, terwijl naast hem twee blote mannelijke onderbuiken verrijzen. Hoewel Gould de lieveling van de intellectuele elite was, lijkt zij hem te doorzien als een ijdele, gestoorde aansteller.

De befaamde journalist Joseph Mitchell schreef in 1942 een bewonderend stuk over Gould, dat hij later moest herzien – Gould was óók een fantast gebleken. In het artikel ‘Het geheim van Joe Gould’ uit de bundel In het oude hotel beschrijft Mitchell hoe hij halverwege de jaren vijftig Alice Neel („een statige, knappe, blonde vrouw”) bezoekt in haar etagewoning in een huurkazerne. Ze laat hem in haar slaapkamer een aantal onverkochte schilderijen zien: onder meer van haar gestorven vader in een doodskist (Dode vader), van een stervende Puerto Ricaanse man (T.B. Harlem) en van Gould (Joe Gould). Het is goed om te beseffen dat al deze ooit veronachtzaamde topstukken nu veel begeerd zijn – én nog tot 13 februari in Den Haag te zien.

Neel vertelde Mitchell dat ze altijd het gevoel had dat er een oude exhibitionist in Gould huisde „die eruit probeerde te kruipen als een in een fles opgesloten spin […]. En hij hoeft het zelf niet geweten te hebben. Daarom heb ik hem zo geschilderd.”

Op dat moment besefte Mitchell dat hij altijd een verkeerde kijk op Gould had gehad en dat het tijd werd dat beeld te corrigeren.

De schilder was de journalist de baas geweest.