Vrienden worden met een verdachte

Infiltratie Undercoveracties van de politie verlopen vrijwel nooit volgens plan, blijkt uit onderzoek.

Politiemedewerkers volgen een undercoveractie op de Wallen in Amsterdam. Foto: Olivier Middendorp

In september 2013 fietst ene ‘Joep’ door een straat in het Brabantse Udenhout en knalt hij op de geparkeerde auto van Wim S., verdachte in een moordzaak. Joep belt aan en betaalt de schade. De twee worden vrienden. Wim heeft schulden en Joep kan hem wat klussen bezorgen bij een louche bedrijf. Een jaar later kan Wim zelfs een arbeidscontract krijgen. Daarvoor moet hij wel eerst ‘de grote baas’ ontmoeten in een villa in het Spaanse Marbella. Eenmaal aangekomen wordt de psychische druk op Wim opgevoerd en vraagt de grote baas hem in ruil voor de baan iets te bekennen. De moord. De verdachte balt zijn handen samen en zegt: „Dit is het gebed van mijn leven. Ik heb het gedaan.”

Alles blijkt vooropgezet. De botsing, de vriendschap, de belofte van een arbeidscontract. ‘Joep’ blijkt een undercoveragent, ‘de grote baas’ ook. Ze maken deel uit van een grootschalige politieoperatie om Wim te laten bekennen. Het lukt, met dank aan de – vooral in Canada populaire – ‘Mr. Big-techniek’: verdachte wordt geïntroduceerd in een (nep)milieu en later door ‘de grote baas’ in ruil voor een gunst verleid tot een bekentenis. In mei vorig jaar veroordeelde de rechter Wim S. op basis van de bekentenis tot achttien jaar celstraf.

Zware criminaliteit vereist zware opsporingsmiddelen, is de gedachte van de wetgever. Krijgt de politie met alleen afluisteren en observeren het bewijs niet rond, dan heeft ze onder omstandigheden verdergaande bevoegdheden. Een agent mag zich dan voordoen als een ander. Bijvoorbeeld om vrienden te worden met een verdachte en zo informatie in te winnen. Of om een verdachte te verleiden tot de illegale verkoop van drugs of wapens. Of, in het zwaarste geval, om te infiltreren in een crimineel netwerk – hiervoor is akkoord vereist van het college van procureurs-generaal. De operaties worden uitgevoerd door agenten van de eenheid Werken Onder Dekmantel.

De vraag of zulke zware opsporingsmiddelen gewenst zijn, is nogal eens onderwerp van debat. Critici roepen nog geregeld de IRT-affaire uit de jaren negentig in herinnering. Toen werden met hulp van criminele burgerinfiltranten ladingen drugs toegelaten tot de markt. Sommigen wijzen op de oneigenlijke gronden waarmee undercoveragenten verdachten zouden verleiden tot een bekentenis of een criminele daad. En ook het ‘afpakken’ van crimineel geld door justitie is regelmatig onderwerp van kritiek. Die aanpak zou nauwelijks effectief zijn. Anderen benadrukken juist de positieve resultaten ervan, zoals voormalig minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten (VVD), die in 2012 zei dat elke investering in de strafrechtketen om het innen van crimineel geld te versterken, zich in drievoud terugverdient.

Het contact met de verdachte verloopt grillig, volgens de wetten van de criminaliteit.

Geheimhouding

Het is moeilijk debatteren als de feiten onbekend zijn, zegt Edwin Kruisbergen, die onderzoek doet naar bestrijding van georganiseerde criminaliteit bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). Hij begrijpt het wel, want de opsporing gaat nu eenmaal met geheimhouding gepaard. Maar dat maakt de politieke besluitvorming erover wel lastig. Daarom is hij – bij uitzondering – in staat gesteld vele politiedossiers te bestuderen waarin gebruik is gemaakt van undercoveragenten en bekeek hij de resultaten. Ook onderzocht hij hoeveel geld de overheid nu werkelijk van de georganiseerde criminaliteit weet af te pakken. Kruisbergen promoveert deze maandag op zijn onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Zo verzamelde hij informatie over alle 89 undercoveroperaties die de politie in het jaar 2004 heeft overwogen – inzage in recentere dossiers was niet mogelijk. Van de 89 gingen er 55 niet door, bijvoorbeeld omdat zo’n actie te riskant bleek of omdat er te weinig informatie over de verdachte was. „Je moet de verdachte wel eerst leren kennen”, zegt Kruisbergen. „Je zet geen undercoveragent met een Amsterdams accent in als je weet dat de verdachte een Feyenoordsupporter is.”

Van de 34 keren dat de operatie wel doorging, lukte het de undercoveragent 31 keer contact te maken met de verdachte. Het vertrouwen moest worden gewonnen waarna de verdachte bijvoorbeeld werd verleid tot zakendoen. Dat leidde zeven keer tot bruikbare informatie voor strafrechtelijke vervolging en vier keer tot de overtuiging dat de verdachte een strafbaar feit juist níét gepleegd kon hebben – ook bruikbaar.

Wat Kruisbergen vooral opviel: een undercoveroperatie verloopt vrijwel nooit volgens plan. „Je hoort dat agenten aan de touwtjes trekken, maar dat is niet zo. Het contact met de verdachte verloopt grillig, volgens de wetten van de criminaliteit. En die zijn onvoorspelbaar. Een cokedeal kan op het laatste moment niet doorgaan omdat de handelaar niet komt opdagen. Soms doet een verdachte aan grootspraak en blijkt een partij wapens minder groot dan afgesproken.”

Voor zijn onderzoek naar infiltratie in een criminele organisatie, het zwaarste middel, bekeek Kruisbergen alle 23 aanvragen die daarvoor werden gedaan tussen 2000 en 2005. Van de 16 aanvragen waarvoor het college van procureurs-generaal toestemming verleende, werden er veertien uitgevoerd. Zes daarvan leverden bewijs dat een rol heeft gespeeld bij een veroordeling.

Hoewel de voorwaarden voor infiltratie wettelijk de strengste zijn, bleek al uit eerder onderzoek dat undercoveragenten het lichtere middel van stelselmatig informatie inwinnen, bijvoorbeeld door vrienden te worden, in de praktijk als ingrijpender kunnen ervaren. „Vanwege de hechte band die ze moeten opbouwen met een verdachte, om die vervolgens te schaden.”

Dat Nederland terughoudend is ten aanzien van het gebruik van de undercoveragent als opsporingsmiddel, veel meer dan in een land als de Verenigde Staten, heeft volgens Kruisbergen te maken hebben met het trauma van de IRT-affaire. En misschien ook wel met de Tweede Wereldoorlog, toen de bevolking de pest aan ‘verklikkers’ kreeg. Infiltreren, zegt hij, wordt hier gezien als een zeer ingrijpend middel, reden dat er hier veel meer gebruik wordt gemaakt van telefoontaps. Terwijl in de VS juist het tappen over de telefoon wordt gezien als ingrijpende maatregel en zware vorm van privacyschending. „Tja, wat is zwaar?”

Conservatief gedrag

Van 150 opsporingsonderzoeken, tussen grofweg 1996 en 2011, bekeek Kruisbergen ook de financiële kant. Hij zag vele uitgaven van verdachten aan dure horloges, auto’s, prostituees. „De clichés kloppen wel.” Maar hij zag ook opvallend veel conservatief gedrag. Criminelen die hun winsten behoudend investeren. Niet in spectaculaire beleggingsproducten maar in onroerend goed, liefst dichtbij. Huizen, bedrijfjes, horeca. Soms gebruikt als dekmantel voor de invoer van drugs, zoals een fruitimportbedrijf, of voor het witwassen van crimineel geld, door bijvoorbeeld mensen fictief op een loonlijst te zetten. Kruisbergen kwam rijke drugscriminelen tegen, criminelen die lokaal veel onroerend goed bezaten en soms contacten onderhielden met bestuurders. Criminelen die zelf opklommen tot een vooraanstaande positie in de bovenwereld vond hij niet.

Het afpakken van crimineel geld door de overheid, via een zogenoemde ontnemingszaak, verliep niet altijd even soepel. Van 102 veroordeelde daders bekeek Kruisbergen de totale rechtsgang in de ontnemingszaak, tot en met procedures bij de Hoge Raad, en ook hoeveel zij uiteindelijk betaalden aan de staat. Hij constateerde grote uitval in zowel de rechtsgang van de ontneming als de uiteindelijke incasso. Van de geëiste 62 miljoen euro werd 46 miljoen toegewezen en uiteindelijk zo’n 11 miljoen euro betaald. Kruisbergen zag veel onduidelijkheid bij de rechterlijke macht over wat een crimineel nu precies heeft en wat die verdient. Hoe bepaal je criminele winsten? Winst is omzet minus de kosten, maar trek je dan ook, zeg, de kosten voor de grondstoffen voor drugs af van het af te pakken bedrag? En wat doe je met zakelijke verliezen omdat een partij pillen niet is geleverd?

In de bepaling van de eisen blijken grote verschillen zowel bij aanklagers als bij rechters, waardoor er in eerste en tweede aanleg en in cassatie vaak telkens minder van het te vorderen bedrag overblijft. Ook de daadwerkelijke incasso blijkt in praktijk niet makkelijk. „Ook een crimineel heeft vaak niet zomaar een paar ton euro cash liggen.”

Gelukkig zijn er ook bij met een boekhoudtalent. Kruisbergen zag sommige verdachten een hele administratie bijhouden, compleet in een Excelbestand. In één geval met gecodeerde transacties en aparte mobieltjes voor elk contact. ‘X1’, ‘X2’. „Strak gedaan”, zegt hij. „Behalve dat de lijst met wie ‘X1’ en ‘X2’ dan waren, in dezelfde ruimte werd aangetroffen.”