Column

Het kost veel moeite niet in het nu te leven

In het scherm van mijn computer heeft zich, hoe is mij een raadsel, van de zomer een onweersbeestje weten te vestigen dat nu steeds als een klein zwart accentje in alle teksten verschijnt. Zomer en onweersbeestjes – hoe ver weg is dat nu. Maar hoe volop aanwezig waren ze, de piepkleine kriebelaartjes, en de zomer zelf. Ik kijk de kale tuin in met al het bruine blad dat ik op moet ruimen, de appelboom met zijn kale takken waaraan nog een enkel al te laat appeltje hangt. Het dagelijkse is altijd volop aanwezig, met geur en stemming en weersomstandigheden. En met de zorgen en vreugdes die erbij horen.

Is het om aan die zorgen te ontsnappen dat menigeen zich traint om ‘in het nu’ te zijn? Het kost heel veel meer moeite om níet in het nu te leven. Het is een verwijt dat voortdurend gemaakt wordt, dat al die kleine relletjes en nieuwtjes van de dag, de Twitter-opstootjes, de politieke piepelarijtjes, ons zo enorm bezighouden en we het grotere uit het oog verliezen. De grote dingen maken veel indruk, maar het heden doet er alles aan om dag na dag de aandacht naar zichzelf te trekken. We weerstaan dat met herinneringen, met zorgen of met plannen, maar even zo goed verwijdert het heden je van de dag, ach, nu al weer bijna drie jaar geleden dat je goede vriend plotseling dood bleek, om wie je zo huilde, om wie je niet getroost wilde wezen. En je bent ook niet getroost, dat is het niet, maar in je heden is het gemis een andere rol gaan spelen. Het gat heeft niet langer meer heel precies de vorm van de dode.

Met oudjaar spraken we, om niet in de gebruikelijke somberheid te vervallen, over de momenten waarop we gelukkig waren geweest het afgelopen jaar. Je begint als vanzelf met spectaculaire dingen, indrukken op reis enzo. Maar al heel gauw kwamen er heel andere beelden: ik ben binnen omdat ik saus wil maken voor bij de kwarteltjes van vanavond, en op het terras zitten in de septemberzon mijn logerende vrienden met koffie en kranten. Oh, denk ik, wat heerlijk als je hier woont, dan kun je zo ’s ochtends buiten zitten. Maar ik woon hier! En ik lach om mezelf, en voel me gelukkig, met de geur van de peren, het zonlicht, de geliefden, het uitzicht.

Ineens vulde het jaar zich met terugwerkende kracht met meer zulke momenten: bloemen plukken in de tuin, zei iemand, Proust lezen, zei een ander, wakker worden en nog even niet op hoeven staan.

En toch vinden we het blijkbaar moeilijk om het heden te beleven. ‘Heimwee naar het heden’ noemde de Argentijnse dichter Jorge Luis Borges een gedicht. ,,Precies op dat moment zei de man tot zichzelf:/ wat zou ik niet geven voor het geluk/ aan jouw zijde te zijn op IJsland (-) Op hetzelfde moment/ was de man bij haar op IJsland”. Degenen met de melancholieke hoofden verlangen naar het moment, omdat ze het intensiever, vanzelfsprekender, ongedachter willen meemaken.

Weg met de melancholie dus. Als we maar zo weinig onthouden, zit er weinig anders op dan het nu belangrijk te vinden, al moet dat uiteraard niet een hysterisch soort overgeleverd-zijn aan het moment betekenen. Er zitten altijd wel ergens onweersbeestjes uit een andere tijd. En er zijn altijd de schikgodinnen die hun vingers uitstrekken naar dat heden van je, naar heel dat beeld van je vrienden in de zon en jij glimlachend achter het raam. Voor altijd. Voor heel even.