Column

De Amsterdamse bakker op de goudmijn

Twee, drie keer per maand heeft Koert van Egmond ze aan de telefoon, makelaars die vragen of hij zijn pand aan de Ferdinand Bolstraat, bij de Albert Cuyp in Amsterdam, niet aan hen wil verkopen. Hij heeft al een bod van drie miljoen euro gehad, ver boven de marktwaarde. „Maar we doen het niet”, zegt hij vastberaden. Zijn vrouw, Ester van der Ven, net zo vastberaden: „Waarom zouden we? Goed, dan zijn we rijk. Wat gaan we dan met ons leven doen?”

Ik wilde weten hoe het met hen gaat, want ze zitten al dertien jaar met hun winkel – brood- en banketbakkerij Rud. H. Venekamp – naast de bouwput van de Noord/Zuidlijn. De straat is nu eindelijk dicht en de schutting waarachter hun etalage verscholen lag, is weg. Maar vijfhonderd meter verderop wordt de trambaan weer opengebroken.

Het wordt niet de klaagzang die ik verwachtte. We zitten in hun appartement boven de winkel, de kinderen zijn naar school, en ik hoor dingen als „we zijn tevreden mensen” en „mijn wiegje stond goed” en „dit kan een goudmijn worden.” Met dank aan Rud. H. Venekamp zaliger, die het pand waarin hij in 1897 zijn bakkerij vestigde niet huurde, maar kocht. En met dank aan Koerts ouders, die altijd hard gewerkt hebben en een gezond bedrijf nalieten, helaas wel te vroeg. Koerts moeder werd 56 (hersenbloeding), Koerts vader 59 (kanker). „Hij was goed voor iedereen”, zegt Koert. „Een gelovig man.”

Natuurlijk, die dertien jaren waren vreselijk, ze zouden het nooit weer overdoen. Maar door het compensatiegeld van de gemeente hebben ze nu wel een nieuwe fundering en een nieuwe werkplaats. Als de Noord/Zuidlijn volgend jaar gaat rijden, zeggen ze, wordt de Ferdinand Bol mooier dan die ooit was. Geen auto’s, brede stoepen, een dubbele bomenrij, massa’s mensen. Al die mensen lopen straks uit het metrostation direct langs hun winkel. Ze zullen weer binnenkomen voor een snelle krentenbol of gevulde koek, zoals vroeger, toen er voor de deur een tramhalte was. „De makelaars”, zegt Koert, „zeggen dat we gerust kunnen blijven zitten als we ons pand verkocht hebben, dan gaan we gewoon huren.” Hij lacht. „Na een jaar vragen ze natuurlijk de hoofdprijs.” Huren van 80.000 euro beginnen hier normaal te worden.

Dan het appartementengebouw dat naast de bakkerij gebouwd wordt, boven het metrostation. De liftschacht aan achterkant steekt zo ver uit dat Koert en Ester geen uitzicht op de tuinen meer hebben. Ze kijken sinds een paar maanden op een blinde muur. Als ik vraag hoe dat kan, zegt Koert: „We hebben bezwaar gemaakt.” Maar? „Je hebt te maken met partijen waar wij niet tegenop kunnen.”

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus in de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.