Column

Wordt het heuse revolutie of electoraal punaises strooien?

Hubert Smeets is Oost-Europadeskundige en verbindt om de week verleden met het heden.

De geur van revolutie hangt in de lucht. Arnold Karskens zette haar in mei op de rol. Historicus Eelco Runia rook in december een klassieke revolutie. Kijkend naar de omwenteling in de VS en Europa zag Runia parallellen met die van 1789 in Frankrijk.

Net als toen heeft de heersende klasse weer geen notie van de stemming buiten haar eigen succesvolle stand. De elite reageert daarom verbaasd of bezorgd als het kraaiende oproer wordt opgepakt door bijvoorbeeld een „Amerikaanse anti-Lenin”, zoals Runia aankomend president Trump noemt.

Wanneer die anti-Lenin gaat regeren, herdenkt Rusland dat honderd jaar geleden het ancien regime ineen zeeg en de partij van de echte Lenin de macht greep, om die driekwart eeuw te behouden.

De parallel van Eelco Runia geeft dus te denken. Maar voordat de wandelschoenen uit het vet worden gehaald – alleen een salonfascist, zittend op een terras, weet niet dat je je goed moet kleden – is het verstandig de westerse samenleving te vergelijken met de Russische van een eeuw terug.

Rusland was in 1917 op drift. Industrialisering en modernisering hadden sinds eind 19de eeuw geleid tot een trek van het platteland naar de stad. De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte nog meer massamigratie. Eind 1916 waren 15,5 miljoen mannen, ruim 8,5 procent van de bevolking, gemobiliseerd in het Russische leger.

Door de ongelijkheid behoorden circa 20 miljoen onderdanen tot de onderklasse. In combinatie met de verjonging – het geboortecijfer was bijna tweemaal zo hoog als het sterftecijfer – en de groeiende misdaad – de criminaliteit was tweemaal groter dan in Frankrijk – werd de paternalistisch-christelijke basis van het Russische Rijk ondermijnd.

De randvoorwaarden voor revolte lagen dan ook voor het oprapen. Het zijn immers zelden oudere kiezers, die bereid zijn de straatstenen uit het plaveisel te rukken. Met Karl Marx had 1917 niet veel te maken. Eerder met Michail Bakoenin, met zijn voorliefde voor „vandalen, dieven en bandieten”, schreef de Moskouse historicus Vladimir Boeldakov in 2010 in zijn dikke pil Het rode oproer.

Gerustgesteld of juist teleurgesteld dat Rusland zo anders was? Haak niet te vroeg af. Volgens de evenzeer befaamde historicus Boris Kolonitski uit Sint-Petersburg speelde de Russische revolutie zich niet louter in het uitgeholde tsaristische rijk af.

„Optimisten zeggen: zonder de Eerste Wereldoorlog zou er in Rusland geen revolutie hebben plaatsgevonden. Ik kijk liever naar de mondiale context”, legde Kolonitski me twee maanden geleden uit. Ook elders sneuvelden een eeuw terug oude regimes. Denk aan de monarchie in Portugal, de Jonge Turken in het Ottomaanse Rijk en de Habsburgse macht in Tsjechië.

Die revolutionairen paarden hun romantische verhaal aan een rationeel gebruik van moderne communicatie. „Al voor de Eerste Wereldoorlog was er een nostalgisch verlangen naar het verloren paradijs”, zei Kolonitski bij een glas bier in de Kanoniersstraat in Sint-Petersburg.

Naast ordinaire vuurkracht waren kranten, spoorwegen en telegraaf de eigentijdse middelen om dat te bevechten. Nu zijn dat mobiele telefonie en internet. „Nostalgie is belangrijk voor een succesvolle revolutie”, aldus Kolonitski.

Wie durft hem tegen te spreken? Heimwee naar betere tijden is ook nu de rode draad bij nationaal-populisten. De vraag is wel of nostalgie anno 2017 uitdraait op een heuse bestorming van het staatskasteel of op electoraal punaises strooien.

Gelet op de demografie, voorzie ik het laatste.