Recensie

Wat literaire non-fictie zo literair kan maken

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Het mishandelde begrip ‘literaire non-fictie’ is met recht van toepassing op het literaire gehalte van het verslag dat Lisa Weeda maakte van reizen naar Oekraïne, waar zij familie heeft. De benen van Petrovski [1] is eerder een gave novelle dan een reisverslag. Leidmotief van het verhaal is de poging van een zekere Vova om een museum te stichten in een tot ruïne vervallen cultuurpaleis uit de Sovjettijd. De beschrijving van dit verloederde arbeiderspaleis en de obsessie van Vova geven een rake indruk van de moeizame omgang met de geschiedenis in Oekraïne. Voor een afrekening met het verleden is meer nodig dan het stukslaan van een standbeeld, in dit geval van de bolsjewiek Grigori Petrovski, wiens naam is verbonden met de hongersnood van de jaren dertig. Als geen ander verstaat Weeda de kunst van het weglaten, waardoor de lezer zelf aan het werk wordt gezet.

De meester van het literaire reisverslag blijft Cees Nooteboom. In de sporen van Don Quichotte [2] is een selectie eerder gepubliceerde stukken, maar deze keuze draagt bij aan inzicht in de poëtica van Nooteboom, die zich in zijn eigen woorden laat omschrijven als een wedstrijd tussen fantasie en werkelijkheid. In het openingsstuk – over Diego Velázquez in het Prado – zie je meteen Nooteboom zelf aan het werk via de schilder: ‘het bedrog van de methode, of de methode van het bedrog’. Ja, het gaat over de schilder, maar ook over de schrijver, immers ook iemand die dingen maakt ‘die de tijd voorgoed bedriegen of ontkennen’. Nootebooms nauwgezette en beeldende beschrijvingen van de werkelijkheid hebben alles en niets met die beschreven werkelijkheid uitstaande, ze zijn een spiegelbeeld van fantasie en droom. In het titelverhaal draait het eveneens om het werkelijke versus het denkbeeldige. Don Quichotte bestaat immers. Het denkbeeldige wordt in de kunst tot werkelijkheid gemaakt, een bedrog dat Nooteboom meesterlijk pleegt.

De autobiografie van schrijver Erik Nieuwenhuis, Bloedend hart [3], leest als een spannend reisverhaal, met vijftig Nederlandstalige hits als ankerplaatsen. Elk jaar van zijn leven is opgehangen aan een populaire meezinger, beginnend met ‘Spiegelbeeld’ (Willeke Alberti) dat de schrijver in 1964 als embryo in de buik van zijn moeder hoorde. Nieuwenhuis groeide op in ‘de provincie’. Op het gymnasium voelde hij zich een ‘achterlijk boer’, wat dankzij ‘Oerend Hard’ ineens als geuzennaam gold. ‘Een opgestoken middelvinger tegen de “so-called civilization” van de randstedeling’ noemt Nieuwenhuis deze eerste hit van Normaal, ‘over het recht om je leven op je eigen manier te verkloten.’ ‘1977 Oerend hard – Normaal’ is het verrassendste hoofdstuk in deze ontroerende, vaak hilarische maar altijd zelfkritische memoires.

Dankzij de hertaling en bewerking door Gera de Bruijn van Majoor Frans is het me eindelijk gelukt het beroemdste boek van Truitje Bosboom-Toussaint (1812-1886) uit te lezen. Voor studenten Nederlands waren haar verdienstelijke historische romans zoals Het huis Lauernesse tot voor kort verplichte kost. Dat gold gelukkig niet voor de eigentijdse brievenroman over de als jongen opgevoede arme freule Francis Mordaunt, bijgenaamd ‘Majoor Frans’. De Bruijn bracht deze langdradige 19de-eeuwse soap tot ongeveer een derde van de omvang terug en moderniseerde taal en spelling. De vrouwelijke, bepaald niet onafhankelijke hoofdpersoon kan miljonair worden en haar vervallen landgoed in de Achterhoek behouden, als ze bereid is te trouwen met haar neef, jonkheer van Zonshoven. Maar ook al is ze verliefd op hem, ze wil alleen haar ja-woord geven als ze niet financieel afhankelijk van hem hoeft te zijn. Heel modern, zeker voor Bosboom-Toussaint, die er conservatief christelijke opvattingen over het huwelijk op na hield. Zelf leidde de schrijfster overigens een geëmancipeerd leven en verdiende ze haar eigen geld. Haar boeken waren bestsellers. De nieuwe bewerking van Majoor Frans maakt duidelijk waarom.