Column

Waarom de exit van Ivan Rogers logisch is

Caroline de Gruyter is correspondent te Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.

De Britse EU-ambassadeur Sir Ivan Rogers in juni 2016. Foto Francois Lenoir

‘Geen land in Europa is zo relaxed over de globalisering als het Verenigd Koninkrijk. Toch is het het meest eurosceptische land in de Europese Unie. Interessante paradox, niet?” Typische uitspraak van Sir Ivan Rogers, de vertrekkende Britse ambassadeur in Brussel, een tijdje geleden. Rogers is dol op paradoxen. Nagelbijtend, op de punt van zijn stoel, de benen krampachtig over elkaar gevouwen, geeft hij er altijd zo een paar ten beste. Op conferenties, tijdens diners, aan een bar. Of in een van de emotionele middernachtelijke e-mails die hij intimi stuurt na afloop van weer een Europese top.

Hier nog twee: „Interessant dat Mario Monti nu premier van Italie is: een niet-gekozen premier, die wordt gezien als onze ‘enige hoop’?” En: „Voor de meeste landen was EU-toetreding een moment van nationale trots. Voor ons, Britten, was het een moment van nationale angst. Nu we op weg zijn naar de uitgang, krijgen we ons zelfvertrouwen terug.”

Met dit soort observaties personifieerde Rogers – die jaren in en met Brussel heeft gewerkt, onder meer als Europa-adviseur van premier Cameron – als geen ander de plaats die zijn land decennialang innam in de Europese Unie: vol dubbelzinnigheid. Het Brexit-referendum maakte vorig jaar korte metten met die ambiguïteit. Daardoor werd ook Rogers’ eigen positie na juni onhoudbaar. In zijn afscheidsbrief schrijft hij dat Londen tegenover gewiekste Europese onderhandelaars beslagen ten ijs moet komen. Maar premier May heeft geen strategie en slaat adviezen van haar eigen diplomaten in de wind.

Nationale diplomaten moeten in Brussel zowel de regeringslijn verdedigen, als (onwelkome) boodschappen aan hun hoofdstad overbrengen. In Brussel zijn ze Hollander, Roemeen of Brit. In hun hoofdstad worden ze steevast gezien als ‘te Europees’. Maar Rogers was hors categorie: hij werkte voor een land dat was afgedreven naar een andere wereld. Hij zei vaak:

We don’t want to go where you want to go.”

Het ontslag van deze briljante, gecompliceerde man leidt tot een nieuwe paradox. Nuance en dubbelzinnigheid verdwijnen uit de nationale en internationale politiek. Burgers willen transparantie en eenvoud. Brexit is daar een uitdrukking van.

Tegelijkertijd zijn landen via de EU, WTO, G20 en andere clubs door de globalisering afhankelijker van elkaar dan ooit. Om migratie, klimaatverandering en terrorisme aan te pakken, moeten ze samenwerken. Dat betekent politiek meer schipperen. En flexibel zijn, juist nu kiezers daar geen zin in hebben.

Diplomaten zitten precies op het punt waar die twee grote tendenzen – globalisering en democratie – botsen. De Britten willen de EU uit. Maar om de optimale exitdeal van 27 anderen te krijgen, moeten ze in Brussel slim onderhandelen. Compromissen sluiten. Rogers, een van de weinige Britse diplomaten met benul van Europese besluitvorming, kon Londen vertellen op welke punten dat moest, en op welke niet. Wekelijks zat hij in de Eurostar naar Londen, om een poging te wagen. Maar hij bleef stuiten, schrijft hij, op „ill-founded arguments and muddled thinking”.

Hij zat nu in dezelfde positie als Monti destijds: ongekozen, maar door zijn expertise en contacten de beste hoop voor het land. Een positie waar hij óók over zei:

„Wij zeggen tegen burgers: ‘Hoe jullie ook stemmen, het heeft weinig invloed op het eindresultaat.’ Sorry, maar dit doet denken aan de jaren 30.”

Gezien de tijdgeest zal Rogers niet de laatste ambassadeur zijn die in het gapende gat verdwijnt tussen zijn land en de EU. Hij is ongetwijfeld wel degene wiens observaties de langste echo zullen hebben.