Column

Twistgesprek over de dood van God

De strijd tussen mensen is een waardenstrijd. We kunnen niets doen behalve praten met elkaar, in de hoop eruit te komen óf elkaar in onze waarde te laten

Er hangt al sinds jaar en dag een poster voor de deur van mijn werkkamer, met daarop in grote letters: „God is dead”. Daaronder staat de bron: Nietzsche, 1882. Even verder naar beneden staat: „Nietzsche is dead – God, 1900”. Ik heb die poster altijd grappig gevonden en er verder nooit erg bij stil gestaan.

Totdat er laatst ineens een Turkse Nederlander voor mijn deur zat die met een wat droevige uitdrukking naar de bewuste poster zat te staren. „Komt u voor mij?” vroeg ik. „Nee, niet in het bijzonder”, zei hij en hij stond op van zijn stoel. Hij stelde zich voor. Hij werkte in het gebouw. Hij excuseerde zich dat hij me lastig viel. „In het geheel niet”, zei ik, en volgde zijn blik. „Heeft die poster uw aandacht getrokken?” Inderdaad, antwoordde hij, de poster hield hem bezig.

Hij was al een paar keer langs geweest. Hij wist niet goed wat hij ermee aan moest. Ik nodigde hem uit voor een kop koffie. „Moet u er überhaupt iets mee dan?” vroeg ik. „Wat is het aan de poster dat u zo raakt?” Dat het zo apert onwaar was. God is helemaal niet dood, hij voelde God elke dag.

Ik probeerde uit te leggen dat het vooral als geintje bedoeld was. Nietzsches gedachte was dat de moderne mens, met zijn wetenschap en evolutietheorie, niet langer terug kan vallen op het geloof voor de rechtvaardiging van zijn moraal. We zijn moderne apen en er zijn geen wetten voor wat ‘goed’ of ‘slecht’ is. We zijn op ons eigen morele kompas aangewezen, hoe moeilijk dat ook is. Het is in die zin dat God volgens Nietzsche dood is. „Gott ist todt! Gott bleibt todt! Und wir haben ihn getödtet!” jammert ‘der tolle Mensch’ (de gek) in Die fröhliche Wissenschaft (Aph. 125). Nietzsche was heel ernstig, maar de poster geeft juist een grappige ‘twist’: God heeft namelijk het laatste woord. God (onsterfelijk) lacht in zijn vuistje als Nietzsche in 1900 zelf het loodje legt!

Mijn gesprekspartner vindt dat allemaal niet grappig. Hij hoort mijn uitleg nauwelijks. Hoofdschuddend zucht hij. Hij had de poster van de muur willen halen zegt hij. Maar hij wil geen problemen veroorzaken. Het raakt hem echt.

Hij vraagt of ik gelovig ben. Ik schud nee. Hij vraagt of ik een keer met zijn imam wil spreken. Hij is bang voor mijn ziel, omdat ik „er maar op los leef”. Nu begin ik irritatie te voelen. „Ik wil best een keer met de imam spreken”, zeg ik, „misschien ga ik dan snappen waar dit oordeel vandaan komt”.

Het is heel simpel legt hij uit, de Koran vertelt ons wat we mogen en niet mogen. Het is het woord van God. „Hoe weet je dat?” vraag ik en hij zegt: „Dat staat in de Koran!” De circulariteit ontgaat hem. Hij is heel serieus, hij citeert passages. Ik vraag me af of dit gesprek nog kan slagen. Hij is oprecht verdrietig en ik ben inmiddels boos.

Tegelijk realiseer ik me terdege dat dit belangrijk is, hij en ik hier samen. Praten over geloof, moraal, politiek. De situatie in het Midden-Oosten, de vluchtelingenstroom, de algemene maatschappelijke polarisatie houden hem en mij en een groot deel van de wereld bezig. Als wij er al niet één-op-één in slagen om daarover te praten wat moet er dan komen van het grotere gesprek?

We houden dapper vol. Homoseksualiteit? Mag niet. Hij gedoogt het, maar het mag niet. En er volgt een serie andere zaken die niet mogen. Het komt me volstrekt wereldvreemd voor. Ik probeer steeds of ik het dogma ergens kan doorbreken. Maar het lukt niet. We komen nergens nader tot elkaar. Ik moet verder en geef hem een hand, met een gevoel van ultiem falen. Heb ik het verkeerd aangepakt? Misschien heb ik hem toch niet goed begrepen? Is die poster inderdaad aanmatigend? Verdorie. Wat zit me nou zo dwars?

„Had het uitgemaakt als het een Jehova’s getuige was geweest?”, vroeg mijn man later thuis. „Stoort het extra dat het een moslim is die dit soort dingen zegt?” Goede vraag. Ik denk over de vele aanslagen en ook over de Erdogan situatie in Turkije met de voor velen van ons Westerlingen zo moeilijk te begrijpen steun van Turken in het buitenland. Heeft dat de wig in het gesprek vergroot? Was ik extra vooringenomen?

Nee, dat is het niet. Dat maakt de zaak hooguit urgenter. Nietzsches Umwertung aller Werte (de herwaardering van alle waarden na de spreekwoordelijke moord op God) is nog in volle hevigheid bezig. Sommigen proberen God te reanimeren, anderen zijn allang weer verder gegaan. De strijd tussen mensen is een waardenstrijd. We kunnen niets doen behalve praten met elkaar, in de hoop eruit te komen óf elkaar in onze waarde te laten. Mijn frustratie zit hem in het feit dat dat gesprek kennelijk zo lastig is.