Theaterdecors zijn net zo kwetsbaar als de spelers

Brand bij Discordia

De brand in de opslag van toneelgroep Discordia heeft een stuk collectief theatergeheugen vernietigd. Wat gebeurt er eigenlijk na de voorstelling met een decor? Hoe worden ze bewaard en waarom eigenlijk? Reportage over de kwetsbare ‘achterkant van het theater’.

Decoropslag van Toneelgroep Amsterdam. Hergebruik van decors is de balans zoeken tussen budget en de kosten van bouw en opslag. Foto Olivier Middendorp

‘Het is een nachtmerrie als het decor afbrandt”, zegt Pieter Rijser, hoofd productie van Bos Theaterproducties. Vorige week brandde in Benningbroek, Noord-Holland, de opslagloods af van de decors voor toneelgroepen Maatschappij Discordia en ’t Barre Land.

Beide gezelschappen staan erom bekend dat zij al meer dan dertig jaar decors opnieuw gebruiken, van de ene voorstelling naar de andere. De brand betekent het verlies van een collectie van drie decennia decorhistorie. Van ’t Barre Land ging het decor van De laatste dagen der mensheid verloren, die volgende week zou spelen in Theater Kikker, Utrecht. De groep heeft besloten de voorstelling door te laten gaan, in een nieuwe setting.

Het verlies van de decorstukken en rekwisieten, deel van het collectieve ‘theatergeheugen’, deed de toneelwereld opschrikken. Het maakt de vraag actueel hoe gezelschappen eigenlijk omgaan met hun decors, zowel tijdens de tournee als na afloop. Wat gebeurt ermee? Welke risico’s zijn er? Zijn ze brandgevaarlijk? Hoe vaak worden ze bewaard om opnieuw gebruikt te kunnen worden?

„Decors zijn nauwelijks nog eenmalig”, zegt Götz Schwörer, oppertoneelmeester ofwel hoofd producties en techniek van Toneelgroep Amsterdam (TGA). Aan de Kabelweg in Amsterdam-West beschikt het gezelschap over een opslagruimte van 4.000 vierkante meter. Kijk, híerstaan de rode fluwelen stoelen van Hedda Gabler. En dáár ligt de ingenieuze constructie die tropische regen doet neersproeien in De stille kracht keurig in een stelling.

Een duizelingwekkende hoeveelheid rekwisieten, decorstukken, lampen en stellages: twintig jaar toneelgeschiedenis als bouwpakket. „Een kleine dertig voorstellingen kunnen we hernemen”, aldus Schwörer. „Vanuit deze loods rijden vrachtwagens met containers door heel Nederland, met daarin keurig gerangschikt decors en kisten met geluids-, belichting- en videoapparatuur. Ook kunnen ze zo internationaal reizen.”

Witte hoezen

Foto Olivier Middendorp

TGA wil voorstellingen op het repertoire houden, soms vele seizoenen lang. Othello uit 2003 kan zo weer herrijzen op de bühne. Dat geldt ook voor de kostuums die in witte hoezen worden bewaard. Soms spelen drie of vier voorstellingen tegelijkertijd, in Amsterdam, op reis in Nederland en ook elders in de wereld. De kunst is alle spullen op tijd bij de juiste schouwburg te krijgen.

Decoropslag is duur. Niet elk gezelschap beschikt over een ruimte als TGA. Het Nationale Theater uit Den Haag heeft een eigen decoratelier in de stad, maar de opslag van de decors is elders, bij het gespecialiseerde bedrijf van Pieter Smit in Nieuw-Vennep. Hier vinden decors een tijdelijk verblijf in zeecontainers.

Oprichter Smit: „Dit is de veiligste oplossing, bovendien efficiënt. Als je alles opslaat in stellingen, raken spullen zoek. Wij kunnen containers op elkaar stapelen, met daarin de decors van tal van vrije producenten, zoals ook Van den Ende. De reusachtige hal met containers wordt verwarmd en is droog, en: brandveilig.” Ook Het Nationale Theater beijvert zich om voorstellingen op repertoire te houden. Lex Boere, hoofd techniek en producties zegt: „Vaak besluiten we halverwege een tournee of een voorstelling in reprise gaat. Dat hangt af van de vraag, of van het belang. In elk geval bouwen we met onze voorstellingen aan een ‘toneelbibliotheek’, dat betekent dat we decors behouden en niet wegdoen.”

Duurzaamheid

Foto Olivier Middendorp

Sinds de „lichte crisis in het theater”, zoals Rijser de jaren van teruggeschroefde budgetten noemt, genieten duurzaamheid en hergebruik hoge prioriteit. Maatschappij Discordia deed dat altijd al; nu blijkt hun voorbeeld inspirerend. Schwörer van Toneelgroep Amsterdam: „De Australische regisseur Simon Stone gaat binnenkort Ibsen huis regisseren. Zijn vormgeefster heeft hier inspiratie opgedaan van oude decorstukken en eerdere Ibsen-producties om met de repetities te kunnen beginnen.”

Vormgever Maze de Boer van de nieuwe, zesdelige serie The Nation door Het Nationale Theater doet hetzelfde, aldus Lex Boere. Hij hergebruikt materialen van voorgaande producties.

De kostbaarheid van de opslag noopt vrije producenten als Bos Theater en Hummelinck Stuurman tot nog zorgvuldiger gebruik, in contrast tot de gesubsidieerde gezelschappen. Bij Bos Theater blijven decors na de voorstelling overnachten in een vrachtwagen. Rijser „ligt daar wakker van, want ook met een vrachtwagen kan van alles gebeuren”. Decors zijn eigenlijk net zo kwetsbaar als de spelers zelf, alleen beseffen weinig theaterbezoekers dat.

Arjen Stuurman van Hummelinck Stuurman is een voorstander van hergebruik. In de nieuwe Wie is er bang voor Virginia Woolf? komt een vloerdeel uit De ontdekking van de hemel uit 2014. „Maar”, zegt hij, „dit decorbeleid roept ook wel eens kritiek op. Je moet ervoor waken dat voorstellingen op elkaar gaan lijken. Je moet de balans vinden tussen het budget en de kosten van decorbouw en -opslag.”

Prikkelend

Foto Olivier Middendorp

Theaterontwerper Marc Warning vindt hergebruik juist prikkelend. „Het is interessant om een bank die bij Tsjechov staat ook in een stuk van Thomas Bernhard te plaatsen”, zegt hij. In de beginjaren van Maatschappij Discordia kochten we op de rommelmarkt spullen, zo is een imposante collectie ontstaan die in elke voorstelling weer voor nieuwe verrassingen zorgt.”

Vernietiging van decorstukken is niet geliefd onder de gezelschappen, toch gaat „tachtig procent naar de stort”, aldus Rijser. „Bij vrije producenten spelen voorstellingen minimaal zo’n tachtig keer, dan is het materiaal wel op. We rijden rond in kleine bakwagens van zes meter; we hebben geen eigen trailers zoals TGA. Materiaal beschadigt dan sneller.” Decorstukken en rekwisieten die echt afgedankt moeten worden, staat Stuurman af aan amateurgezelschappen, het goede doel of de kringloop.

Voor Toneelgroep Amsterdam geldt ook dat de decors een tweede leven kunnen leiden. Kleinere gezelschappen, amateurgroepen en studenten van de toneelopleiding krijgen gelegenheid decors te lenen. Studenten van de Amsterdamse Theaterschool „krijgen steeds meer onderricht om duurzame decors te ontwerpen”, laat docent Jaïr Stranders weten. Hij doceert filosofie en geeft regelmatig college in de kleine opslag- en repetitieruimte die Discordia bezit aan het Singel in Amsterdam. Hier bevindt zich behalve een rijke theaterbibliotheek en kostuumopslag ook een bescheiden collectie decors en rekwisieten: „Als ik hier les geef maken we een reis door de tijd.”

Bezieling

Foto Olivier Middendorp

Ook het imposante Decoratelier Nationale Opera & Ballet in Amsterdam Zuidoost biedt rondleidingen. In deze loods van ruim 15.000 vierkante meter worden decors gebouwd, beschilderd en opgeslagen, beeldhouwwerken gemaakt. Het is, zoals hoofd Rolf Hauser zegt, „een reservaat van ambachten”. Hier kunnen zelfs decors gebouwd worden op dezelfde schaal als het podium van het Muziektheater. De opslag gaat terug tot ver voor 1985, toen het gebouw werd opgeleverd tegelijk met de opening van het Muziektheater. Hauser: „Hier is cultuurhistorisch erfgoed opgeslagen, bijvoorbeeld het kostuum waarin Cristina Deutekom zong. En ook bouwen we hier aan nieuwe decors. In tegenstelling tot de toneelwereld zijn decors „bij de opera altijd nieuw, elke productie heeft zijn eigen autonome en artistieke vorm”. De constructies van de decors worden hergebruikt, zonder dat de individuele signatuur van de vormgever herkenbaar is. Ballet heeft minder decor, het zijn vaak achterdoeken en belichting die de sfeer bepalen. Daar gebruiken we wel het achtergronddoek van de ene productie voor een andere.”

Hauser noemt de ruimte „de achterkant van de opera”. De decorstukken die hier worden gebouwd, reizen in trailers naar de operahuizen van Nederland en ook het buitenland. Voor Hauser is de erfgoedfunctie belangrijk: „Niet alleen hier, ook op tal van andere plekken slaan we decors op. Maquettes blijven in het atelier.”

In het hart van het gebouw bevindt zich de kostuumopslag van het Nationale Ballet: een witte, golvende weelde aan tutu’s aan het plafond. Verderop passeren we rekwisieten van opera’s en decorstukken, zowel oud als gloednieuw. Daar een standbeeld, ginds een doorgebroken muur. De Wozzeck die eraan komt heeft als achtergrond glanzende glijbanen van roestvast staal.

Hier, onder kaal werklicht, lijken de decorstukken levenloos. Maar straks, in de zaal, met de belichting en het spel van zangers en spelers, krijgt het allemaal bezieling. Weinig toeschouwers zullen beseffen dat decors óók het hart van een voorstelling zijn, net als tekst, muziek, zangers en acteurs. Decorloos theater bestaat niet. Uit de zorgvuldigheid waarmee zowel gezelschappen, producenten als bouwers van decors ermee omspringen, blijkt van hoeveel belang de theatrale omgeving van elke uitvoering is. Brand is dan ook een tragisch verlies.