Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter / NRC

Schrijver Carolijn Visser: ‘In Tokio was ik animeermeisje’

Interview Schrijver Carolijn Visser (60) wil mensen zien leven waar grote veranderingen plaatsvinden. „Ik ben niet op zoek naar mezelf of naar losse ervaringen.”

Op haar vijftiende maakte Carolijn Visser (60) haar eerste reis in haar eentje. Op kamp naar Polen om daar met jongeren van over de hele wereld een dierentuin in aanbouw schoon te maken. „Het was totaal onzinnig.” Polen lag destijds – het was 1972 – nog achter het IJzeren Gordijn. Niemand zat te wachten op een stel Westerse pubers dat kwam werken voor de lol. „We hielden snel op met ons afvragen wat de zin was van wat we deden.” In de dierentuin werkten ook groepjes mannen. „Grauwe gezichten, sjofele kleren en geboeide enkels.” Gevangenen.

Na vier weken zat het kamp er op. „Maar ons visum was iets langer geldig.” Met de Franse jongen op wie ze verliefd was en nog een stelletje reisde ze twee weken in een 2CV door het land. „Onze spijkerbroeken, T-shirts en schoenen ruilden we tegen zlotys. De Polen hadden niets, de winkels waren leeg.” Ze logeerden bij een priester in de kerk, bij boerengezinnen en reden tenslotte door naar Parijs. „De verschillen tussen Oost en West, de naweeën van de Tweede Wereldoorlog, de macht van de communistische partij. Ik realiseerde me hoe goed mijn geschiedenisboeken op de middelbare school waren. Alles wat ik daaruit had geleerd, zag ik in het echt.”

Na Polen volgden Turkije, Hongarije en de Verenigde Staten. Op haar vijfentwintigste vertrok ze voor een half jaar naar Japan, Taiwan, Hongkong en stak als een van eersten de potdichte grens met China over en was daar ooggetuige van de ravage die de Culturele Revolutie van leider Mao in het land had aangericht. Ze sprak leraren en studenten, kinderen van partijleiders en sjacheraars. Ze schreef over haar ontmoetingen, die verhalen werden een boek. Sindsdien is ze reisschrijver van, inmiddels, 25 boeken.

Foto Frank Ruiter / NRC
Foto Frank Ruiter / NRC
Carolijn Visser reist al vijfenveertig jaar.
Foto Frank Ruiter

Ze heeft een voorkeur voor postcommunistische landen, waar de transitie voelbaar is. „Ik wil mensen zien leven op plaatsen waar grote veranderingen plaatsvinden.” Als ze in 1983 hoort over de goudkoorts in Costa Rica reist ze onmiddellijk af om met eigen ogen het kaalgeslagen oerwoud te zien waar grote machines de aarde omploegen. „Ik logeerde daar bij een Nederlandse zeeman. Hij stelde me voor aan een paar mannen, goudzoekers. Eentje is opvallend blond en vraagt haar om een sigaret. Wayne heet hij en komt uit Australië. „Nog diezelfde dag zat ik met hem een biertje te drinken in het plaatselijke bordeel. De Gleuf, heette het.” Ze blijven een half jaar in het oerwoud wonen. Ze trouwen en wonen daarna nog twee jaar in Nicaragua en vervolgens ook twee jaar in Estland.

Tussen de reizen door naar Amsterdam

Tussen het reizen door landt ze steeds weer even in Amsterdam. Daar heeft ze een appartement, en daar zit de uitgever die al 35 jaar haar boeken begeleidt. Deze maand verschijnen een paar vroege reisverhalen in de reeks Literaire Juweeltjes – over een waterleiding aanleggen in Turkije en haar tijd als animeermeisje in Tokio. In oktober verscheen haar boek Selma (vier sterren in NRC), over hoe Mao een Chinees-Nederlands gezin verwoestte. Geen klassiek reisverhaal, maar uit elke zin spreekt haar kennis van China.

Spreekt u Chinees?
„Nee, ik heb het geprobeerd, maar ik ben er bewust mee gestopt. Het kost je een half leven om die taal echt goed te leren spreken en schrijven. Ik ben verknocht aan China, ik kom er net weer vandaan, maar ik wil er niet mee vergroeid raken. Daarbij, ik leer ook al Ests en Spaans en Hongaars.”

Hoe redde u zich dan in China? U was 25, alleen, zonder reisgids, zonder taal?
„Het is alsof je blind en doof bent. Je reist op de tast. Ik wist dat het moeilijk zou gaan worden. Ik zat in een hostel in Hongkong en hoorde dat iemand een visum kon regelen voor China. Sinds 1949 was het land op slot voor buitenlanders. Er waren wel propagandareizen, dan ging je onder begeleiding in een groepje naar een modelcrèche of een modelfabriek. Dat er enorme hongersnood was, dat de bevolking doodsbang was, dat er 45 miljoen mensen verdwenen waren, werd angstvallig verborgen gehouden. Het was 1981, Mao was al een paar jaar dood, het land stond op een kiertje. Dus ik ging. Met een metro vol Hongkong-Chinezen ging ik de grens over. Zij gingen familie bezoeken. Ze sjouwden televisies en rijstkokers met zich mee, twee vrouwen droegen een heel aanrechtaan een bamboestok. In China was niets. Eenmaal in China stroomde iedereen de treinen in naar Canton. Alle passagiers verdwenen de avond in, ik bleef achter op het stationsplein.

Had u een slaapzak bij zich?
„Nee. Ik klopte op alle deuren, werd weggejaagd door portiers in blauwe pakken. Weg, weg.” Ze vouwt twee handen langs haar oor, het gebaar voor slapen. „Eén wees naar een gebouw. En verdomd, op de vierde verdieping was een pension.”

Hoe laat was het toen?
„Een uur of twee. Maar het was niet koud, Canton is tropisch en het was september. Ik was niet bang. Een nachtje op straat was het minste dat ik ervoor over had het land te kunnen zien. Ik leerde erop te vertrouwen dat ik eens in de drie dagen een andere eenzame reiziger trof. De meesten hielden een schriftje bij van hun route, en die volgde ik dan terug. Dan stond er: ‘Stap in Chongqing op bus 3. Blijf zitten tot je links een park ziet en rechts een gebouw met pilaren. Dat is een hotel voor buitenlanders. Ze zullen zeggen dat het vol is. Dring aan. Heb je een kamer toegewezen gekregen, dan blijk je de enige gast.’ Chinezen deinsden terug als ze me zagen, of ze vonden me juist een attractie.

Op straat werd ik omsingeld. Lachen, wijzen, ze draaiden de hoofden van hun kinderen naar me om. Eens in de zoveel tijd zei iemand: ‘Hello, where are you from?’ Iemand die wat Engels sprak en me op sleeptouw nam. Mee naar huis namen ze me nooit, voor buitenlands bezoek moesten ze toestemming vragen aan het buurtcomité. Ze wezen me de bus, brachten me naar restaurants. Dat waren een soort kantines, bomvol, met een ingewikkeld bonnetjessysteem. Het beste kon je vlak achter iemand gaan staan die aan het eten was en dan snel gaan zitten zodra hij klaar was.”

Hoe kwam u aan geld?
Travellers cheques. Bij een enkele bank kon je die wisselen tegen foreigners money, waarmee je als buitenlander kon betalen.”

Majeur erreur, no rows configured for photogrid.

Hoe verdiende u geld?
„In Nederland deed ik freelance klussen, ik schreef over jeugdwerkloosheid en feminisme. Verder had ik allerlei baantjes via een uitzendbureau. In een tabaksfabriek, een ziekenhuis, bij een schoonmaakbedrijf. Ik spaarde om op reis te kunnen.”

Het was geen bordeel, hè. De voertaal was Japans, maar ze vonden het chic om ook een paar Westerse meisjes te hebben.

En u was animeermeisje.
„Een paar maanden, in Tokio. Dat deden veel meisjes. Je betaalde beschermgeld, en de eigenares, mama-san, hield toezicht, dus het was veilig. Ik verdiende 120 gulden op een avond. Veel geld hoor, in Nederland verdiende ik 400 gulden in een maand. Daarvoor moest je dan paar uur in een spiegelpaleis converseren met Japanse zakenlieden. Het was geen bordeel, hè. De voertaal was Japans, maar ze vonden het chic om ook een paar Westerse meisjes te hebben. Ik was de donkere, mijn Franse vriendin de blondine, ze zochten nog een roodharige. Wij schonken de whiskey in en deelden sigaretten uit.”

Waren uw ouders bezorgd? Er was geen internet, nauwelijks telefoon.
Ze lacht. „Die eerste keer naar Polen, stapte ik op de trein in Middelburg. Toen de trein vertrok, zag ik mijn handtas met alles erin op het perron liggen. Ik riep mijn moeder, zij zwiepte de tas door het raam de rijdende trein in. Ik hoorde haar nog net roepen: ‘Hoe moet dit nou aflopen?’ Mijn ouders hadden als kind de oorlog meegemaakt. Jarenlang hadden ze thuis gezeten en niks gemogen. Ze zeiden altijd: ‘Ga vooral, jij kan het doen’. Mijn ouders, mijn twee broers en zus schreven trouw naar mijn poste restante adres. Die brieven heb ik nog. Mijn vader was geschiedenisleraar, maar thuis was hij ook in functie. Ik las nooit de krant, dat was niet nodig, hij voerde aan tafel hele toneelstukken op over wat er in de wereld gebeurde. De moord op Kennedy, Martin Luther King.

Leeft uw vader nog?
„Nee. Hij is in 2000 overleden.”

Was u in het land toen hij stierf?
„Nee. Ik was in Costa Rica. Toevallig precies op de plek waar ik Wayne had ontmoet. ’s Avonds las ik in een internetcafé het doodsbericht.”

Wat akelig.
Ze knikt en zegt: „Ik ben de laatste tijd veel in Zeeland geweest.” Daar woonde ze vanaf haar eerste jaar. „Na al dat reizen heb ik behoefte het contact met het land van mijn jeugd een beetje terug te krijgen. Ik heb er beslissende jaren doorgebracht.” Een heerlijke jeugd, noemt ze het. „Zee, fietsen, veel vrijheid. Alles mocht en kon.”

Waarom terug naar Zeeland?
„Ik wilde achterhalen wat het perspectief was waarmee ik uit Zeeland ben vertrokken. Wat betekent het om ergens vandaan te komen? Wat vormt je, wat is je identiteit?”

En?
„De plaats waar je vandaan komt, vormt je, maar ook de tijdgeest. Wij waren echt een jaren-zestiggezin. Mijn moeder werkte, ze was lerares op een huishoudschool en de moedermavo. Ze liep in Indiase gewaden met rinkelende sieraden en zwarte kohl om haar ogen. Mijn vader was medeoprichter van een jeugdcentrum. Daar werd moderne muziek gedraaid, hasj gerookt, er was zelfs een huisdealer. Als mijn ouders ergens tegen actievoerden, gingen wij mee.”

Heel gedoe met vier kinderen.
„We zijn alle vier gepland, met steeds drie jaar ertussen. Als ik een gezin had gewild, was ik ook voor een gróót gezin gegaan. We woonden in een doorzonhuis, met van die grote ramen. Onze blik was letterlijk naar buiten gericht. Ik, Jan Cremer lag op tafel, mijn moeder was lid van de NVSH. Op de vloer lag linoleum, de inrichting was ook modern met stalen meubels ontworpen door Martin Visser, de broer van mijn vader.

Lees ook een reisverhaal van Carolijn Visser in NRC: Een bloedrood welkom in Amerika

Er brak een nieuwe tijd aan in Nederland en ons gezin viel met de tijdgeest samen. Mijn ouders waren vooruitstrevend en vrijdenkend, maar ook degelijk. Ze gingen niet scheiden en we aten elke avond om zes uur. Uit dwarsigheid ging ik als puber macrobiotisch eten. Geen vlees, veel zeewier en granen. Geen water, want dat was yin.”

Onhandig dieet als je op reis bent.
„Toen was ik er allang weer mee opgehouden. Ik eet alles.”

Een Chinees zou direct protesteren als hij een uitsmijter krijgt zoals wij die soms eten

Ik las over gebakken zijdewormen, padden, varkensoren…
„Uier, baarmoeder. In Estland eet je bloedworst, in de joodse keuken lever. Je kunt er rustig van uitgaan dat bereidingswijze van die gerechten gedurende eeuwen is geperfectioneerd. Alleen boterthee in Tibet, daar kon ik slecht tegen. Warm water met kluiten ranzige boter. Alleen de geur al die je schedel intrekt. In China heb ik nooit onsmakelijk gegeten. Of het nou 40 cent kost of 400 euro, het is altijd verrukkelijk. Een Chinees zou direct protesteren als hij een uitsmijter krijgt zoals wij die soms eten, in oud vet gebakken en op een sponzig sneetje witbrood. De maaltijd is voor Chinezen het hoogtepunt van de dag, dat werd het voor mij ook. Aan het eind van een mislukte dag waarop ik doelloos had rondgezworven iets troostrijks eten. Biertje erbij. Heerlijk.”

U heeft een huis in Amsterdam en in Estland, u komt nog vaak in China. Waar voelt u zich het meest thuis?
„Meer en meer heb ik de drang ergens te blijven, om echt diep door te dringen in het bestaan ergens anders. Als ik in China ben, is het leven serieus en ernstig. Chinezen denken minstens één generatie vooruit, ze leven in de toekomst. In Latijns-Amerika valt meer te lachen en genieten, mensen leven er in het heden, ze zijn vrolijk en gastvrij. Maar de keerzijde is: er verandert daar zelden wat. Estland is een land dat opnieuw geboren wordt. Daar zag ik voor het eerst iemand met z’n telefoon een parkeerplek betalen, ik zag er de eerste laptops in cafés.”

En in Nederland?
„Nergens hebben de mensen het beter dan in Nederland. De vrijheid die vrouwen hebben, ons parlementaire stelsel, mogen zeggen wat je denkt, infrastructuur, de zorg. In onze ziekenhuizen ligt een miljonair naast iemand met een uitkering, ze krijgen dezelfde behandeling van dezelfde arts en daar kijkt niemand van op. Dat is ongekend in de wereld.”

Wat ik zie, hoor, meemaak, moet ik eerst ordenen en onder woorden brengen.

Toch gaat u nu in Panama-Stad wonen. Waarom?
„Panama is het Hongkong van Zuid-Amerika. Een soort Dubai met gigantische flats. De samenleving gist. Europeanen komen erheen, Argentijnen, Colombianen, Venezolanen. De armen komen werk zoeken, de rijken treffen er elkaar. Voorheen namen ze de wijk naar Miami, maar de grens naar Noord-Amerika is nu zo goed als dicht.”

Wat gaat u er doen?
„Gewoon, leven. In een huis in de oude stad. Ik ken er genoeg mensen en ik neem mijn werk mee. Ik wil een boek schrijven over Zeeland, over mijn roots, mijn herinneringen. Het wordt een reisverhaal.”

Lees ook din reisverhaal van Carolijn Visser: Op bezoek in de oude wereld

En wat gaat Wayne doen?
„Hij heeft altijd wat om handen. In Nicaragua was hij visser, in Amsterdam runde hij een zijdewinkeltje, en hij gaat zelf ook vaak op reis. Toen we in Estland woonden en er weer een lange winter vol sneeuw aanbrak, verveelde hij zich zo dat hij ook boeken is gaan schrijven.”

Weet u waarom u reist?
„Ik ben niet op zoek naar mezelf of naar losse ervaringen. Ik wil het heden persoonlijk maken. Wat ik zie, hoor, meemaak, moet ik eerst ordenen en onder woorden brengen. Een groot deel van mijn tijd wordt in beslag genomen door lezen, nadenken, verbanden leggen. Stukje bij beetje probeer ik zo de werkelijkheid te vatten, wat iets anders is dan de waarheid. Ik geef vorm aan de geschiedenis. Ik hoor mijn vader nog zeggen als ik eens iets probeerde te vertellen aan tafel: ‘Als je geen goed verhaal kunt houden, moet je anderen er niet mee lastig vallen. Wat je zegt, moet een kop en een staart hebben. Dus om te beginnen, zou ik zeggen…’ Dat is dus wat ik doe. Een goed verhaal vertellen.”