Recensie

De duistere wereld van Shirley Jackson

Shirley Jackson (1916-1965)

Langzaam wordt de Amerikaanse schrijfster Shirley Jackson bevrijd van het etiket ‘gothic horror’. Haar romans en verhalen gaan eerder over angst, voor het bovennatuurlijke, en vooral voor de ander.

Shirley Jackson in 1940 Foto Erich Hartmann/Magnum Photos/HH

Op mijn televisiescherm flaneert Catherine Zeta-Jones in een strak pakje door een Duidelijk Eng Spookhuis. Haar decolleté is eerder in beeld dan haar gezicht. Naast haar loopt Lili Taylor, die een muizige dame speelt. Uiteraard betreden ze schaterlachend een nogal luguber aandoende kamer vol spiegels en bewegende vloerdelen. Door de soundtrack van de griezelfilm The Haunting (Jan de Bont, 1999), en mijn absolute weerzin tegen schrikmomenten in films (mijn hart, mensen), begin ik er nogal huiverig naar te kijken. Maar tegen het einde van de film, als er te pas en te onpas standbeelden staan te kreunen, het houtsnijwerk vol kindergezichten zeurderig waarschuwt voor een kwade geest en er bovendien een ronduit potsierlijke onthoofding plaatsvindt, gaat het wel weer. Sterker nog: ik blader met kalm hart verbaasd terug in de roman waar de verfilming wel heel losjes op is gebaseerd: The Haunting of Hill House (1959) van Shirley Jackson, die vele malen verontrustender en bovendien intelligenter is, zonder ook maar één geestverschijning of onthoofding.

Op 14 december jongstleden zou de Amerikaanse schrijver Shirley Jackson bij extreem goede gezondheid en omstandigheden honderd jaar zijn geworden. Maar gezond was ze niet: op haar achtenveertigste, in 1965, overleed ze in haar slaap, vermoedelijk aan de gevolgen van overmatig drankgebruik, kettingroken en medicijnen. Op dat moment leek het er juist op dat ze over haar jarenlange pleinvrees heen aan het komen was – en misschien stond ze zelfs op het punt haar schuinsmarcherende echtgenoot te verlaten.

Huis en haard

Jackson liet een behoorlijk oeuvre na: zes romans, tientallen korte verhalen, vier kinderboeken en twee intelligente, amusante boeken over haar gezinsleven, dat eigenlijk vaak helemaal niet zo amusant was (Life Among the Savages, 1953 en Raising Demons, 1957). Die verhalen over huis en haard doen denken aan wat Aaf Brandt Corstius en Sylvia Witteman nu soms schrijven, of aan – volgens The Guardian – populaire mommy-blogs.

Haar andere werk heeft het beklemmende van de verhalen van Adam Johnson, of de Netflix-hit Black Mirror. Stephen King schijnt fan te zijn. Geen ‘quirky girls’ (‘een beetje vreemd maar wel lekker’) in Jacksons fictie, maar gitzwarte meisjeszielen. Neem Merricat, een achttienjarig personage uit de intrigerende roman We have Always Lived in the Castle (1962), waarin twee zussen zich na de mysterieuze dood (arsenicum!) van hun familie in hun huis verschansen. Ze wenst om de haverklap haar hele omgeving dood, vooral als ze er even uit moet voor boodschappen. Niet alleen dood, trouwens, ze wenst ook hun lijdensweg voor zich te zien, ze wil over hun lijken heenlopen. ‘I was never sorry when I had thoughts like this’, mijmert ze: ‘I only wished they would come true’. In The Sundail (1958) krijgt de lezer ware doomsday preppers voorgeschoteld, onder wie een kind dat luchtig voorstelt haar oma van de trap te duwen.

The Haunting of Hill House is, samen met voornoemde boeken, een van de romans die ervoor gezorgd heeft dat Shirley Jackson bekend is komen te staan als een ‘gothic horror’-schrijver, een etiket waar Jackson, na een Associated Press-profiel dat in 1948 verscheen, niet meer zo snel vanaf kwam (en komt): ‘Miss Jackson writes not with a pen but a broomstick.’

In The Haunting of Hill House heeft Eleanor jaren voor haar zieke moeder gezorgd. Na dier dood wordt ze door een wonderlijke wetenschapper uitgenodigd in een spookhuis te overnachten. De jonge vrouw steelt de auto van haar zus – eigenlijk voor de helft haar eigen wagen – en gaat ervoor. In het huis, waar ze in het gezelschap van de frivole Theodora (‘Theo’), Doctor Montague en erfgenaam Luke verblijft, lijken inderdaad bovennatuurlijke dingen te gebeuren. Maar: is Eleanor misschien niet ook een beetje maf? En kan dat komen doordat ze nooit over haar eigen lot heeft kunnen beschikken? En toch: (koude rilling) wiens hand hield ze in vredesnaam vast vlak voor ze haar ogen opent en ziet dat ze alleen in bed ligt?

Duister karakter

Gothic horror, vooruit: Jackson leek in veel van haar verhalen en romans een hang te hebben naar griezelige huizen en personages met een duister karakter. Maar zo’n gothic-labeltje misleidt alleen in Jacksons geval. Veel meer dan over enge huizen en een incidentele (vermeende) klopgeest, gaan haar spannende boeken over angst, voor het bovennatuurlijke, maar ook voor de ander: of het nu de toorn van een heel dorp betreft of juist het ‘afwijkende’ van de enige gekleurde man uit dat dorp. Het is angst, en een immer aanwezige, soms nauwelijks aanwijsbare dreiging die ook in haar beste verhalen rondwaart.

Haar bekendste verhaal, in 1948 goed voor honderden ingezonden brieven naar The New Yorker, is ‘The Lottery’ (pas op, spoilers!). Kalme en soms opgetogen dorpelingen verzamelen zich op een zonnig plein, waar speelse jongens grote stenen verzamelen. Keuvelend wachten ze op het trekken van de loten van de jaarlijkse loterij. Een oude man spreekt schande van het afschaffen van dit gebruik in naburige dorpen. Er hangt wat ongemak in de lucht. De loten worden getrokken, heel langzaam, Jackson neemt de tijd om talloze namen van dorpelingen de revue te laten passeren. Als er een gezin als winnaar uit de bus komt, en er vervolgens binnen dat gezin een individuele winnaar aangewezen moet worden, ontsteekt de vrouw des huizes in toorn en paniek. Terstond trekt ze het winnende lot. Ze wordt gestenigd door de dorpelingen.

Still uit The Haunting, de boekverfilming uit 1963

Een verschrikkelijk gegeven, dat alleen maar verschrikkelijker wordt door de grandioze opbouw die Jackson het verhaal geeft. Daarin ligt veel nadruk op het mooie weer, en het feit dat de dorpelingen gewoon maar doorgaan met hun leven. De eerste zin: ‘The morning of June 27th was clear and sunny, with the fresh warmth of a full-summer day: the flowers were blossoming profusely and the grass was richly green.’ Arme, onwetende lezer, die denkt midden in een streek-idylle terecht te zijn gekomen.

Dat is de crux bij Jackson; de situaties die ze verzint zijn (soms!) wat bizar, maar door het alledaagse decor van huiselijkheid, of dorpsheid, en niet in de laatste plaats door de fijnzinnige pen van de schrijver, trap je er met open ogen in. Ja, denk je tijdens het lezen: zo zijn mensen. Die werpen de steen omdat het nu eenmaal altijd zo ging. Die worden kwaad op het zwarte vriendje van hun zoon omdat hij hun oude kleren niet aan wil nemen. Mensen, zo peins je dan, zijn verschrikkelijk: ze drijven, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, hun buren uit hun appartement, om er zelf te gaan wonen (‘Like Mother Used to Make’).

Een – iets – lichtere toon kan Jackson overigens ook aanslaan, waarbij de koude rillingen plaatsmaken voor verwondering; over een jonge vrouw die haar oudere buurvrouw moedwillig spullen uit haar huis laat stelen, bijvoorbeeld (‘Trail by Combat’). Ze zoekt de zestigjarige dame wel op, in een appartement dat precies op het hare lijkt, maar wordt een onschuldig conversatie ingelokt. Over hun overleden echtgenoten, de inrichting van hun huis. Het feit dat bloemen het, met een aspirientje in de vaas, beter doen. Uiteindelijk lijkt de jongere vrouw het niet over haar hart te kunnen verkrijgen een echte beschuldiging te uiten – en hoewel haar al te vriendelijke buurvrouw weet dat ze ontmaskerd is als dievegge, blijft ze pikken. Het gaat er gewoon bij horen – al knaagt het ongemak bijna hoorbaar door de pagina’s.

Onlangs verscheen Shirley Jackson. A Rather Haunted Life (Liveright, 2016), een uitvoerige biografie door literair criticus Ruth Franklin. En als ik ‘uitvoerig’ schrijf, bedoel ik overvloedig: niet alleen Jacksons leven wordt in meer dan zeshonderd pagina’s tot op de draad uitgeplozen, terloops neemt Franklin ook (de hele familie van) Jacksons echtgenoot, criticus Stanley Edgar Hyman (1919-1970) mee.

Het is de biografie van zo’n beetje iedereen die in aanraking met het echtpaar kwam, en de geschiedenis van diverse gebouwen waar ze ooit voet in zetten. Als je het doet, doe het dan goed, moet Franklin gedacht hebben. Ze schoot op indrukwekkende wijze door en schreef daarmee eerder een heel mooi naslagwerk dan een goed leesbare biografie, waarin soms ietwat geforceerde, maar ook vaak aannemelijke verbanden worden gelegd tussen het leven en werk van Jackson.

Het is bijvoorbeeld vrij logisch (en daarmee niet minder tragisch) dat de heftige pleinvrees van de schrijfster – ze durfde nauwelijks het huis uit – zijn weerslag heeft gevonden in verhalen over vrouwen die hun huis niet meer willen, of kunnen, verlaten. En zo zou Jacksons interesse (niet te verwarren met het geloof) in het occulte niet alleen te danken zijn aan de heersende ouijamania (een soort glaasjedraaien op een spelbord); Jacksons grootmoeder, die in Jacksons jonge jaren bij het gezin inwoonde, was Christian Scientist en spiritualist en geloofde onder meer fanatiek in gebedsgenezing en contact met overledenen.

Amateurheks

Later koketteerde Jackson met het feit dat zijzelf een ‘amateurheks’ zou zijn. Franklin suggereert dat Jacksons interesse in hekserij wellicht een manier was om ‘female power’ uit te dragen, in een tijd dat vrouwen in Amerika weinig te zeggen hadden over hun eigen leven. In dat licht bezien, en wetende dat het merendeel van Jacksons personages vrouwen van allerlei allooi zijn, wordt de huidige aandacht voor haar oeuvre ook wel als resultaat van een verse feministische golf gezien.

Met deze – ondanks de buitensporige hoeveelheid informatie wel interessante – biografie lijkt er een kleine Jackson-revival gaande. Want hoewel The Lottery altijd als schoolwerk opgegeven bleef – tip, zoek eens op YouTube naar het verhaal en verbaas je over de hoeveelheid toneelstukken, animatiefilms en vlogs – en Jackson een fanschare bleef houden, is ze nooit zo groot geworden als haar tijdgenoten Jack Kerouac, Dylan Thomas en Ralph Ellison (detail, met dank aan Franklin: waarschijnlijk was Ellisons Invisible Man zonder Jackson een heel andere roman geweest). Terwijl de kracht van haar proza deels is dat het vrijwel tijdloos is – jaartallen noemt ze niet, bijvoorbeeld, en de motieven in haar werk zijn, zo u wilt, universeel te noemen.

Ook nu nog moet je, na het lezen van Jacksons duisterste verhalen en romans – ondanks de scherpe humor die erin is verweven, of misschien juist wel dankzíj die galgengrappen – even iets anders gaan doen, oude mensen helpen oversteken bijvoorbeeld, of zachte jonge dieren aaien.

Vooralsnog zijn spaarzame Nederlandse vertalingen van Jacksons werk alleen tweedehands verkrijgbaar. Gelukkig brengt uitgeverij LJ Veen Klassiek daar in mei verandering in. Dan verschijnt er een heruitgave van We hebben altijd in het kasteel gewoond, ingeleid door Niña Weijers. Verheugt u, en schaf alvast een lief huisdiertje aan.