Opinie

De opstandige mens is helemaal niet gebaat bij Facebook

Vanuit online-echokamers zullen opstanden altijd escaleren. Een effectieve revolutie drijft op waarden die ook buiten je eigen kring gehoor vinden, meent . Ze roept ons op om voorbij onderlinge verschillen te kijken, aan de hand van Albert Camus’ geruchtmakende essay ‘De mens in opstand’ uit 1951.

Illustratie Cyprian Koscielniak


Eva Rovers is cultuurhistoricus en schrijver. Zij schreef onder meer de veelgeprezen biografieën van Helene Kröller-Müller en Boudewijn Büch. Dit is een voorpublicatie van Ik kom in opstand, dus wij zijn, een filosofisch pamflet dat deze week bij Ambo Anthos verschijnt. Op 11 januari en 19 januari gaat zij in debat in respectievelijk de Rode Hoed (Amsterdam) en de Der Aa-kerk (Groningen), met onder anderen Maarten Doorman, Tinkebell en Hans Achterhuis.

Sinds de ‘Twitter-revolutie’ in Moldavië in het voorjaar van 2009 en de studentenopstanden in Teheran korte tijd later, is aan sociale media de magische kracht toegekend om met een paar klikken revoluties te ontketenen. Een Facebook-post of hashtag lijkt voldoende om dictators af te zetten en diepgewortelde misstanden te veranderen. De Arabische Lente, Occupy, de EuroMaidan- en Gezi Park-protesten, het racisme-debat dat razendsnel aan kracht won dankzij de hashtag #blacklivesmatter: ze worden telkens aangehaald om te laten zien dat sociale media in staat zijn in korte tijd massa’s op de been te krijgen en verandering te bewerkstelligen.

Hoe hoopgevend dat idee ook is, erg realistisch is het niet. Tijdens de Arabische Lente ontpopten sociale media zich al snel tot sterk polariserende krachten. Occupy bleek een tandeloze tijger. De Maidan-protesten vervielen na twee maanden in geweld. De Gezi Park-protesten werden neergeslagen, waarna Erdogan met nog strengere hand ging regeren. De #blacklivesmatter-beweging worstelt met conflicterende opvattingen en slaagt er daardoor moeilijk in allianties te sluiten buiten de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Natuurlijk kenden al deze protesten ook successen, maar de beoogde structurele veranderingen bleven uit.

Zowel demonstranten als media benadrukten de omvang van de protesten. Maar een groot netwerk is niet hetzelfde als een hecht netwerk. Om een opstand te laten slagen moet een groep individuen met al hun verschillende visies gesmeed worden tot een nauw verweven collectief. Ze moeten het eens zijn over het doel, de prioriteiten en het plan van aanpak. Daarvoor is niet massaliteit van belang, maar wezenlijke verbondenheid.

Die verbondenheid als essentie van iedere opstand is beschreven door Albert Camus in zijn geruchtmakende essay De mens in opstand uit 1951. Daarin stelt hij dat verbondenheid alleen kan bestaan als het doel individueel en collectief tegelijk is: mensen eisen iets op voor zichzelf, maar ook voor ieder ander, omdat ze het beschouwen als iets dat iedereen toekomt. Ook al stamt zijn boek uit het pre-digitale tijdperk, het is onmisbaar voor de smartphone-demonstrant.

De mens in opstand

Opstand is volgens Camus wat de mens tot mens maakt: ‘het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is’, namelijk sterfelijk. Iedere handeling is een verzet tegen de zinloosheid – de absurditeit, in de woorden van Camus – van het leven. Door ‘nee’ te zeggen, geeft iemand betekenis aan het leven: hij laat zien dat er iets is dat bescherming verdient. De mens in opstand beseft bovendien dat hij niet de enige is die worstelt met de absurditeit, maar dat hij deze deelt met ieder ander mens.

De opstand definieert dus niet alleen hem als mens, maar ook ieder ander. Voor Camus daarom geen cogito ergo sum, maar ‘Ik kom in opstand, dus wij zijn.’

Maar de opstandige mens balanceert op de dunne grens tussen opstand en (gewelddadige) revolutie. Aan de hand van het communisme laat Camus zien hoe de verdedigde waarden, hoe nobel van oorsprong ook, vaak verstarren tot kille ideologieën die aan anderen worden opgelegd. Mensen worden zo geïndoctrineerd dat ze denken vrijwillig de heersende waarden te onderschrijven. Zolang die illusie in stand blijft, wordt de impuls tot opstand onderdrukt.

Die gedachtegang lijkt in het Westen anno 2017 hopeloos ouderwets. Sinds de val van de Berlijnse Muur zijn we ervan overtuigd dat we de tijd van de grote ideologieën achter ons hebben gelaten. Juist die overtuiging bewijst dat Camus’ waarschuwing voor de verdovende kracht van ideologieën nog altijd actueel is. Toen in 1989 het communisme werd verslagen door het kapitalisme, kwam daarmee het tijdperk van ideologieën namelijk niet ten einde. Er brak alleen een nieuwe fase aan: die van het neoliberalisme.

Groei is goed, meer is beter

Net als het door Camus verafschuwde communisme ontwikkelde ook het neoliberalisme zich tot een perversie van zijn oorspronkelijke ideaal. Dat ideaal was in de jaren dertig nog de bescherming geweest van burgers tegen woekerende staatsbemoeienis; in 1989 was dat idee compleet verdampt en vervangen door de bescherming van het bedrijfsleven.

Belastingverlagingen, deregulering van onder meer de financiële markten, grootschalige privatisering en afbouw van de sociale zekerheid werden gecombineerd met een heilig geloof in de helende werking van de vrije markt. Een van de meest opmerkelijke aspecten van het succes van het neoliberalisme is de buitengewoon brede acceptatie ervan: zelfs sociaaldemocraten voeren beleid waarin gezondheidszorg en onderwijs niet aan marktwerking ontkomen.

Toch hebben maar weinig mensen het idee dat ze onderworpen zijn aan een ideologie. Het ingenieuze van de neoliberale ideologie is dat we denken dat we zelf in alle vrijheid onze levens vormgeven. Het is de ultieme realisatie van Goebbels befaamde uitspraak: „Het geheim van propaganda is mensen zodanig doordringen van de gewenste ideeën, dat zij niet beseffen dat zij er überhaupt van doordrongen zijn.”

Net als een religie of een andere ideologie, wekt het neoliberalisme de indruk dat er eenduidige antwoorden zijn en onomstotelijke waarheden. En dus juichen we als het CBS bekendmaakt dat de economie is gegroeid en praten we over de vrije markt alsof het een natuurkundig verschijnsel is dat geheel autonoom vraag en aanbod in evenwicht brengt. We staan er geen moment bij stil dat die markt allesbehalve vrij is van gunstige belastingmaatregelen, uitzonderingen op milieuwetgeving en andere overheidscadeautjes die voortkomen uit de lobby van het bedrijfsleven.

Net zo blind zijn we voor de schaduwzijde van economische groei. Want groei is nu eenmaal goed en meer is altijd beter. De gedachte dat op een gegeven moment de grond is uitgeput, de zeeën leeggevist en de grondstoffen stomweg op zijn, leggen we maar wat graag het zwijgen op met een nieuwe aankoop. Een nieuwe telefoon, jas of flatscreen en we kunnen het leven weer aan. Eventjes tenminste. Want als de roes van de bevrediging is verdwenen, is het leven nog even absurd als voorheen.

Het klaarlichte denken

Camus pleit ervoor die absurditeit niet te negeren, maar onder ogen te zien. Daarvoor moeten we ons denken losbreken uit de kaders die religies en ideologieën zo succesvol in stand houden. Dit ‘klaarlichte denken’ is nodig om in opstand te komen, en dus om mens te zijn: geen communist, geen gelovige, geen consument, maar mens.

Sociale media zouden hierin een fundamentele rol kunnen spelen, als we ze niet precies tegengesteld zouden gebruiken. In plaats van struinen door de talloze andere perspectieven die internet ons biedt, trekken we onszelf terug achter de muren van ons eigen gelijk. Nog voordat we kunnen ontdekken of achter een andere mening misschien ook nog een overeenkomst schuilgaat, hebben we iemand al ontvolgd. Zo scheppen we onze eigen echokamers, waarin herkenbare overtuigingen zo vaak weergalmen dat ze vanzelf waarheden worden. In een vrij land bemoeilijken die digitale comfortzones een constructieve discussie over gevoelige thema’s; in een land op de rand van burgeroorlog zijn ze levensgevaarlijk. In beide gevallen zorgen ze ervoor dat mensen verdeeld raken in plaats van verbonden.

Dat gebrek aan diepgaande verbondenheid zorgt ervoor dat veel Twitter-opstanden in de knop breken. Door niet tevreden te zijn met een massale opstand, maar te zoeken naar die individu-overstijgende waarden, krijgt interne verdeeldheid minder kans. Sociale media zullen dus pas kunnen bijdragen aan blijvende verandering als ze mensen voorbij hun onderlinge verschillen laten kijken. Daarom hebben we sociale media nodig die ons verleiden om onderwerpen van alle kanten te bekijken, die ons uitdagen onze comfortzones te verlaten en onszelf kritisch op dogma’s te controleren. Of een app die het klaarlichte denken wakker kust.