Recensie

De kunstveiling is nu een casino geworden

Kunstboeken Miljardairs die kunst verzamelen op internationale veilingen zijn hormoongedreven alfamannetjes die niet onderdoen voor hun soortgenoten op Wall Street, schrijft veilingmeester Simon de Pury in zijn memoires.

Jean-Michel Basquiats Dustheads (1982) met in 2013 een geschatte waarde van 25 tot 35 miljoen dollar.

Bij de New Yorkse galerie van Toni Shafrazi koopt Tiqui Atencio in 1996 een schilderij van Jean-Michel Basquiat (1960-1988): Dustheads, een portret van twee junkies verslingerd aan angel dust, de drug PCP. Kosten van het doek: een paar honderdduizend dollar.

In het voorjaar van 2013 laat Atencio haar Basquiat veilen. Christie’s verwacht een recordopbrengst, misschien wel 30 miljoen dollar. Het loopt anders: na een lange biedingsstrijd wordt Jho Low, een dertigjarige Maleisische ondernemer, de nieuwe eigenaar. Zijn bod: 48,8 miljoen dollar. Atencio springt in de veilingzaal juichend op. Het voelde, zegt ze later, alsof ze een homerun had geslagen.

Het is een anekdote die de hausse op de kunstmarkt van de afgelopen twintig jaar tekent: miljardairs die fanatiek tegen elkaar opbieden, en dan vooral op hedendaagse kunst, het ‘nieuwe goud’.

De verkoop van de Basquiat verbindt twee recent verschenen boeken. In Could Have, Would Have, Should Have, een boek waarvoor Atencio honderd collectioneurs over hun verzamelpassie interviewde, beschrijft ze de veiling van haar Basquiat als ‘levensveranderend.’

In The Auctioneer, de memoires van de Zwitserse veilingmeester Simon de Pury, komt de verkoop van Dustheads eveneens ter sprake. Voor hem symboliseert die transactie hoe hedendaagse kunst de veilingzaal in een casino heeft veranderd. Een ontwikkeling waarop De Pury het bekende citaat uit de film Wall Street van toepassing verklaart: Greed is good.

Door de openhartigheid van de auteurs en de rijkdom aan anekdotes bieden beide boeken een even onthullend als vermakelijk inkijkje in een wereld die doorgaans met geheimzinnigheid is omgeven. Volgens De Pury, een ijdele flapuit, zijn vele miljardairs eind jaren negentig geïnfecteerd geraakt door een ‘prachtige ziekte’ die hen dwingt om kunst te verzamelen. En dan vooral hedendaagse kunst, kunst die vóór die tijd nauwelijks door de grote veilinghuizen te koop werd aangeboden.

Als gesjeesde rechtenstudent ging De Pury in 1974 aan de slag als onbetaald receptionist bij Sotheby’s in Londen. Vijf jaar later trad hij in dienst als beheerder van de kunstverzameling van baron Hans Heinrich Thyssen-Bornemisza (1921-2002), een onmetelijk rijke industrieel – hij bezat de halve haven van Rotterdam – die gemiddeld één schilderij per dag kocht.

Kunst verkopen uit wraak

Als bestuurder én veilingmeester keerde De Pury na zeven jaar terug bij Sotheby’s, om later zijn eigen veilinghuis (Phillips, De Pury & Luxembourg) te beginnen. Zijn voorbeeld was Maurice Rheims, de Franse veilingmeester die het tot lid van de Académie Française schopte. „Niet slecht toch voor een kerel met een veilinghamer?” aldus De Pury.

De Pury bewonderde vooral de ondernemingszin van Rheims. Met instemming beschrijft hij hoe zijn Parijse voorganger ’s morgens de overlijdensadvertenties in Le Figaro spelde om daarna, gewapend met bossen bloemen, op zoek te gaan naar klandizie.

De Pury beschrijft de top van de kunstmarkt als bijzonder hormoongedreven. Met smaak vertelt hij bijvoorbeeld over een 93-jarige vrouw die haar collectie wil verkopen uit wraak op haar echtgenoot, die er vandoor is gegaan met zijn 27-jarige Cubaanse verpleegster. Of hoe zijn directeur bij Sotheby’s na een seksschandaal moest aftreden, en hoe medewerkers van veilinghuizen soms met een strategische affaire proberen een belangrijke klant binnen te halen – en alles met naam en toenaam.

Al even amusant beschrijft De Pury de invloed van opeenvolgende echtgenotes van Thyssen-Bornemisza op zijn collectie. In de tijd dat hij voor de baron werkte, werd hijzelf vader van een groot gezin. Na weer een geboorte bood zijn werkgever hem een groter onderkomen dan de portierswoning op zijn landgoed. „You fucked yourself out of the gatehouse”, constateerde de baron.

Als zelfstandig kunstadviseur maakt De Pury nu de nieuwe Medici’s het hof. „Het lijkt wel of iedere week een nieuw tripje naar Qatar, Shanghai of een ander Neverland van de kunst brengt”, schrijft hij. Ook organiseert hij online veilingen. De reden: „De kunst gaat waar alles in de wereld naar toe gaat: naar het internet.”

Drijfveren van de super-rich

Tiqui Atencio inventariseert in haar interviewboek de drijfveren van de super-rich. Haar eigen geschiedenis is misschien representatief. Kind van een rijke Venezolaanse familie raakt ze als jong meisje in New York gefascineerd door het drama in de veilingzaal.

Atencio komt uit een familie van verzamelaars. Haar grootouders hadden een privé-dierentuin, haar oom en tante hadden belangrijk werk van Picasso en Bacon aan de muur. Als zeventienjarige kreeg ze van haar vader als huwelijkscadeau een bloemstilleven van de Franse schilder Bernard Buffet.

Gerangschikt op onderwerp laat Atencio steeds een stoet aan collectioneurs aan het woord. Volgens de Chinees-Amerikaanse acteur en restaurateur Michael Chow zijn er voor een verzamelaar vier belangrijke eigenschappen: geld, kennis, durf en een goed oog. Met twee van deze kwaliteiten schop je het volgens hem al een heel eind, en met alle vier groei je uit tot de allerbeste verzamelaar.

En geld is van de vier de minst belangrijke, aldus Chow. Zo wordt in beide boeken vaak laatdunkend over geld gesproken. Vermoedelijk lukt dat alleen, als je zo rijk bent dat je nooit over geld hoeft na te denken. Een conclusie die door vele anekdotes in het boek van Atencio wordt ondersteund.

Zoals de verzamelaar die vertelt hoe hij in de zenuwen over zijn eerste aankoop ooit was vergeten dat hij al een schriftelijk bod had afgegeven. In de veilingzaal, ontdekte hij later, zat hij vrolijk tegen zichzelf te bieden. Een andere verzamelaar in het boek heeft 10.000 – ja, tienduizend – kunstwerken in een belastingvrije freeport opgeslagen. Andere verzamelaars hebben een huis dan wel een museum voor hun kunst laten bouwen. Ook moppert iemand dat hij in een opwelling eens een sculptuur van Richard Serra kocht en dat het beeld eerst te zwaar bleek voor de vloer in zijn New Yorkse appartement en dat het daarna te groot bleek voor zijn Londense herenhuis.

De kunst heeft hen tot betere mensen gemaakt, tekent Atencio diverse malen op. Hoe verrukkelijk is het niet, zegt een verzamelaar, dat hij zijn kleinkinderen naast een prachtig beeld van Giacometti kan laten spelen. Grote verzamelaars die hun monomanie kunnen relativeren zijn schaars. De Londense handelaar en schrijver Kenny Schachter is een van de weinigen. De ongebreidelde bezitsdrang heeft iets absurds, zegt hij. „Er worden oorlogen gevoerd en mensen sterven van de honger en dan betalen wij een miljoen dollar voor wat pigment op doek.”

Het slotwoord in haar boek gunt Tiqui Atencio aan de vorig jaar overleden Amerikaanse verzamelaar Steven Ames. „Verzamelen heeft onze levens in vele opzichten veranderd. Hoe we reizen, wie onze vrienden zijn – wie had dat gedacht? Als we geen kunst hadden, waar zouden we dan over praten? Golf?”