De Dakloze Dichter

Reportage Hij is nog steeds verslaafd en leeft de meeste tijd op straat. Maar na dertig jaar bedelen en stelen heeft Hilmano van Velzen zijn ware talent ontdekt. En Nederland heeft hém ontdekt. Het begon allemaal met een meisje.

Hilmano van Velzen, dichtend in Amsterdam. „Dag dame, mag ik jou misschien een gedicht voordragen?”

Eerst zie je ze wel kijken, hoor, de mensen van het uitgaanspubliek op wie hij afstapt in het holst van de nacht. Daar heb je er weer één: een dakloze. Een verslaafde. Wat moet hij? Snel, doorlopen! Maar als hij eenmaal begint te spreken, in verzen en strofen, dan blijven ze altijd hangen.

„Zij raakt mij, veel te veel. Ze raakt zacht, zonder aan te raken…”

Hilmano van Velzen (50) heeft een Stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Jaja, Van Velzen leeft op straat. Hij is van het harde leven. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. „Ik ben ontdekt”, grijnst hij. „De mensen worden gek.”

De Dakloze Dichter wordt hij genoemd. Sinds weblog Dumpert een item aan hem wijdde, wordt hij in het centrum van Amsterdam aan de lopende band herkend. Het internet staat vol met mensen die hun aanvaringen met hem beschrijven. Gloedvolle odes aan zijn woorden, zijn stem. „Als ik niet te donker was om rood te worden,” zegt hij, „dan zou je me de hele tijd zien blozen”.

Uitgeverij Heimdall publiceerde onlangs zijn eerste poëziebundel (daarover later meer). Actrice en schrijver Isa Hoes toonde een filmpje van hem bij RTL Late Night. Ze nam een van zijn gedichten op in het door haar samengestelde boek Gedichten die vrouwen aan het huilen maken. Een stel jonge Vlaamse filmers werkt op dit moment aan een documentaire over hem.

De aandacht heeft zijn leven veranderd. Regelmatig treedt hij nu op tijdens poëzieavonden en spoken word-festivals, soms zelfs op de radio. „Poëzie heeft me gered”, zegt hij. „Ik voel me nu voor het eerst in mijn leven écht goed.”

En dan te bedenken dat hijzelf pas twee jaar terug, na ruim dertig jaar op straat, zijn talent ontdekte.

„Kom maar door.” Van Velzen heeft de poortjes van de metro opengewrikt en wenkt. „O wacht,” zegt hij, „jij hebt natuurlijk zo’n ov-ding bij je. Nou ja, dit is goedkoper”.

We zijn op weg naar de Amsterdamse binnenstad, vanaf het huis van Sacha. Een dag uit het leven van Hilmano van Velzen is een dag in het teken van zijn muze. Sacha is zijn grote liefde, maar ook: een verslaafde veertiger met borderline die hem vandaag woest de deur heeft gewezen. „Let maar op,” lacht Van Velzen, „ze belt zo om sorry te zeggen”.

Wat rondscharrelen

Wat deze herfstdag hem gaat brengen? Weinig. Vandaag hoeft hij even helemaal niets. Dat wil zeggen: wat rondscharrelen, mensen aanspreken, dichten hier en daar, wat centen proberen op te strijken. „Het internet is geëxplodeerd, en nu wil iedereen iets van me. Radio, tv, Humberto – ze staan voor me in de rij.”

Zoals alle mooie dingen, vertelt hij, begon het allemaal met een meisje. We gaan terug in de tijd, twee jaar. Hilmano staat, zoals vaker, ’s nachts op de Dam. Er loopt een mooie vrouw voorbij, hij wil indruk maken. „Maar hoe doe je dat, als je haar niets te bieden hebt?” Een ingeving, hij moet iets. Van Velzen begint te spreken, regels die hij al jaren in zijn hoofd heeft, misschien heeft hij ze ooit ergens gehoord.

Ik ben niets. Val uit jouw lucht. Leer mij les. Teder zal ik alles ondergaan…”

De vrouw blijft staan luisteren, en zij niet alleen. Er vormt zich een groepje om hem heen. Applaus. Een man is zo ontroerd dat hij Van Velzen meesleurt naar de pinautomaat en vijftig euro voor hem trekt.

Hier zit wat in, denkt hij op dat moment. Dit kan ik blijkbaar. Dit wérkt.

Zo’n talent

„Die stem…” Isa Hoes kan er nog steeds niet over uit. „Wat die met je doet is ongekend. Je hangt aan zijn lippen.”

„Hilmano heeft onmiskenbaar een talent”, zegt ook Sheila Messchaert, manager van onder meer zanger en rapper Brownie Dutch, die als impresario plannen met hem heeft. „Dat hoor je meteen. Zijn manier van dichten, van vertellen, en dan die verschijning – heel bijzonder.”

Hub Dohmen van uitgeverij Heimdall: „Ik word lyrisch van zijn werk. Zo empathisch, zo warm, en in prachtige spreektaal.”

Isa Hoes had hem als eerste door. Iets meer dan een jaar geleden liep de actrice door het Vondelpark, toen ze werd aangesproken. „Hij zei: ‘Ik ben dakloos en schrijf gedachten. Mag ik een gedicht aan je voordragen?’” Dat mocht:

Zij raakt me veel

veel te veel

Ze raakt zacht

Zonder aan te raken

Zoals haar ogen mij zonder schuw lijken af te tasten

Voel ik haar op elke plek

Vooral wanneer zij in mijn oor

Haar adem uitblaast

Als een rilling glijdt haar geur

Zo verslavend

Voor mij alleen

Van top tot teen

Hoes: „Ik was helemaal in de war. Ik dacht: dit is meant to be.” Want: ze had nét het manuscript van haar bloemlezing ingeleverd bij de uitgeverij. „Ik vroeg: wat zou je ervan vinden om in mijn bundel te komen?”

Aanvankelijk kreeg hij daarvoor van de uitgever 50 euro, net als de andere dichters in het boek. „Maar dat vond Hilmano veel te weinig”, zegt Hoes. „Kun je het je voorstellen? Zo typisch.” Ze vulde het bedrag uit eigen zak aan.

De eerste eigen dichtbundel van Van Velzen is een tijdje terug verschenen. Titel: De Dakloze Dichter, te koop voor een tientje. Hub Dohmen bracht het boekje uit, maar de twee hebben nu onenigheid. „We hadden 21 gedichten afgesproken”, zegt Dohmen, „maar hij leverde er maar 11 in. Uiteindelijk hebben we tien gedichten van anderen toegevoegd.”

Van Velzen baalt intussen als een stekker. „Nu ligt er een boek onder mijn naam in de winkels, en het zijn niet eens mijn gedichten.”

Sheila Messchaert heeft met haar bureau Unexxpected Artist Management andere ideeën voor de dichter. „We zouden Hilmano graag zijn gedichten laten opnemen, bijvoorbeeld om er later muziek onder te zetten.” Dat is allemaal nog niet gebeurd. „Dan is hij zijn telefoon weer kwijt en krijg je ’m wekenlang niet te pakken. Het hoort bij het leven dat hij leidt.”

Tekst gaat verder onder video

Gemene lucht

Crack – ‘wit’, noemt hij het zelf (‘bruin’ is heroïne). Hilmano van Velzen rolt het boterhamzakje tussen zijn vingers, kijkt op en glimlacht. „Vind je het vervelend? Nee?” Als hij niet gebruikt, zegt hij, krijgt hij last van zijn voeten. Ze zijn van het zwerven kapot.

In het portiek van een grachtenpand schudt hij wat van het witte poeder in zijn pijpje, houdt daar schuin een aansteker tegenaan en begint te puffen. Dikke rook, zijn wangen bollen en vallen, een gemene lucht die direct op je keel slaat.

Als Van Velzen weer opkijkt, fonkelen zijn ogen. Hij dicht.

Twintig jaar lang heb ik gedwaald, gerend, op de vlucht voor een leugen…

Van Velzen groeide op in de binnenlanden van Suriname. „Stammengebied”, noemt hij dat, zijn achternaam viel er behoorlijk uit de toon. Toen hij 9 jaar oud was vertrokken zijn ouders naar Nederland – er waren problemen tussen de stammen van zijn vader en moeder. Nederland zou het gezin nieuwe kansen bieden. Ze streken neer in Soest.

Hilmano en zijn zusje volgden later. „We kwamen hier aan in onze kerkkleren. Ik kende niets. Iedereen was zo wit. Zó wit. Ik had nog nooit een roltrap gezien. Toen ik sneeuw zag, at ik het op.”

Aanpassen aan Nederland viel zwaar. Hij háátte de kou. O, en de taal, zoveel harder dan het zangerige Saramaccaans dat hij sprak, een van de oude creooltalen van zijn thuisland. „Ik moest naar de basisschool hier, ik stotterde, verdomde het om Nederlands te spreken. Maar elke keer dat ik Creools sprak, sloeg mijn pa erop los. Tot mijn twaalfde plaste ik in mijn bed. Ook dan kwam mijn vader met de riem.”

Toch ging het op school lang niet slecht, zegt hij. „Ik heb een fotografisch geheugen voor tekst.” Hij ontdekte boeken en die openden de taal voor hem op nieuwe manieren.

In de keuken hing een prent van een geel eendje met daarop de tekst: ‘Wacht maar tot ik later groot ben’. „Daar keek ik dan naar,” zegt Van Velzen, „en ik dacht precies hetzelfde. Wacht maar”.

Op zijn veertiende kwam hij in opstand tegen zijn vader, vertelt hij. „Hij wilde me weer slaan.” Maar dit keer liep het anders, Hilmano trok een mes. „Ik dacht: nu slaat hij me dood.” Maar dat gebeurt niet. Zijn vader bindt in, verslagen, en Hilmano loopt weg van huis.

De jaren die volgen zijn, in zijn vertelling, een waas. Van Velzen belandt in Amsterdam, met één been in de kunstenaarsscene en het andere in de criminaliteit. „Ramses Shaffy was nog een tijdje verliefd op me”, zegt hij, en dan: „De Turkse maffia vroeg me iemand te vermoorden.” Hij beroofde een bank met een luchtdrukpistool, beweert Van Velzen, hij stal kleding, maar trad ook op met een theatergezelschap.

Hij gaat van logeeradres naar kraakpand naar opvang. Nooit heeft hij een dak boven zijn hoofd.

Daar in Amsterdam ontdekt hij ook de gekookte cocaïne. Crack. „Daar moest en zou ik alles over te weten komen.”

Kleermakerszit

Het Vondelpark, high-fivend struint Van Velzen de bankjes af. Een stel studenten herkent hem, ze drinken bier uit blikken. Of hij er ook eentje wil? „Nee, bedankt.” Ze geven hem wat geld en een sigaret.

Verderop strijkt hij neer op de grond, in kleermakerszit, zijn notitieboek op zijn schoot. Hij lijkt gelukkig.

Van Velzen heeft sinds kort zowaar een dak boven zijn hoofd, vertelt hij. „Voor het eerst.” Een simpele woning in de Bijlmer, een opvangstichting heeft hem eraan geholpen. Hij slaapt er nu de meeste nachten.

„Wil je wat horen?” Hij draagt voor. Twee nieuwe gedichten, één in het Engels, één in het Duits. Voor de toeristen? „Gewoon, omdat het mooie talen zijn.”

Wat hoopt hij voor de toekomst? Waar droomt hij van?

„Ik leef mijn droom nu al”, zegt hij. „De VIP-lifestyle is dit. Echt, man, mijn leven is zo ongelofelijk veranderd, en het blijft maar veranderen.”

Dus Van Velzen is tevreden?

Even denkt hij na. „Ik zou heel graag nog eens teruggaan naar Suriname, naar mijn stammen. Daar ben ik nooit meer geweest. Mijn camisa ondergaan, weet je, het ritueel als je een man bent geworden. En ik zou cadeaus meenemen voor de kinderen, dat had ik ze beloofd.”

Wie ben jij?

De nacht is gevallen op het Spui. Uitgaanspubliek schiet lallend van de ene kroeg de andere in. Van Velzen, gekleed in een indrukwekkend waaierende bontjas, slaat ze breed grijnzend gade, in zijn handen houdt hij zijn onafscheidelijke schrift stevig vastgeklemd. Openslaan doet hij het nooit.

Van Velzen vangt de aandacht. Het gaat vanavond zoals het altijd gaat.

„Dag dame, mag ik jou misschien een gedicht voordragen?”

Een vlinderachtig meisje wil hem aanvankelijk voorbijlopen, stokt haar pas, en kijkt hem dan aan met grote ogen. „Wie ben jij?”, vraagt ze.

Hilmano van Velzen spreidt zijn armen, heft zijn hoofd naar de hemel en knijpt zijn ogen tot spleetjes. „Ik? Dame! Ik ben de beroemdste dichter van Nederland.”