Cultuur

Interview

Interview

Foto's: Merlijn Doomernik

Hoe gepest worden en faalangst deze wielrenner bijna zijn carrière kostte

Wielrenner Daan Olivier werd gepest op de basisschool en dat ontwikkelde zich tot faalangst. Het kostte hem bijna zijn wielercarrière. In Italië werd hij weer liefhebber.

Hij zegt dat zijn vuisten beginnen te jeuken. Zijn gevouwen armen duwt hij stevig tegen zijn borst. De lijntjes in zijn voorhoofd gaan van opwinding in de vorm van een regenboog. „Als ik ze nu tegenkom, dan, dan…” Hij recht zijn rug, en herpakt zich: „Dan denk ik: wie het laatst lacht…”

Wielrenner Daan Olivier (24), net ingelijfd door team Lotto-Jumbo, wordt er onpasselijk van als hij praat over de pesterijen op zijn basisschool in Oegstgeest, in groep 5 en 6. Ze hebben zijn zelfvertrouwen blijvend beschadigd. „Ik was een lange slungel, het sulletje van de klas. Bij de gymles werd ik als laatste gekozen. Ik was zo slecht dat ik mezelf ook niet in mijn team had willen hebben.” Ter overcompensatie ging hij ontzettend zijn best doen. Daar is de faalangst begonnen.

Op de middelbare school ging het beter. „Ik ontdekte dat ik werd geaccepteerd zolang ik niet het achterste van mijn tong liet zien.” In die jonge tienerjaren leefde hij vooral binnen de veilige muren van zijn ouderlijk huis, afwisselend bij vader en moeder, die op zijn vijfde uit elkaar waren gegaan. Hij gamede veel – „op een gegeven moment was ik met FIFA zo goed dat ik met de keeper kon scoren”.

Twee jaar mocht Olivier lanterfanten. Toen vonden zijn ouders dat hij moest gaan sporten. Op bezoek bij een oom en tante in Friesland stond hij voor het eerst op schaatsen, een decennium geleden. Bleek een openbaring: hierin zou hij de beste worden, dan zou de erkenning toch komen. Het hele weekend is hij „als een gek” rondjes blijven rijden.

De gelukkigste dagen van zijn leven

In de zomermaanden fietst een schaatser om zijn conditie op peil te houden. Dat ging Olivier zo goed af dat hij door wielerclub Swift uit Leiden gevraagd werd voor een Zeeuwse klassieker, kasseien incluis. Hij reed de wedstrijd uit en dat was tweederde van de renners niet gelukt. Olivier maakte met zichzelf de afspraak: ‘Ik ga door met de sport waarmee ik me plaats voor het NK.’

Het NK wielrennen van 2008 liep uit op een sof: hij viel en moest opgeven. Oude wonden werden opengereten. „Mijn complete zelfvertrouwen haalde ik uit het fietsen. Was ik hier dan toch niet goed in?”

Welzeker. Olivier werd als junior opgepikt door de nationale wielerbond. „Fucking gaaf” was het om in een oranje pakje rond te rijden. Op testdagen in de Belgische Ardennen werd zijn talent pas echt duidelijk: hij reed als snelste junior ooit de Côte de Wanne op. „Ik voelde me twee keer zo breed worden. Wat een euforie. Het geeft zo’n ongelooflijke kick om ergens goed in te zijn.” Niet veel later hing Rabobank aan de lijn: of hij in de opleidingsploeg wilde. Het waren de gelukkigste dagen van zijn leven.

Zijn enige doel in die tijd: ooit top-5 in de Tour rijden. De havo liet hij lopen. Na een jaar in een sportinternaat op Papendal verhuisde hij terug naar een prikkelarme omgeving, naar zijn vader in Oegstgeest. De ereplaatsen kwamen als vanzelf. Bergop kon hij Tom Dumoulin en Wilco Kelderman bijbenen. Toen zij de stap naar de profs maakten, bleef hij over als hét klimtalent van Nederland.

Die verwachtingen loste hij in bij wielerploeg Giant, maar pas na een verloren jaar waarin hij zich zo hard had afgebeuld dat hij een grens had overschreden. Op het dieptepunt woog hij 59 kilo, bij 1 meter 88. „Het eerste wat een klimmer denkt als hij bergop moet lossen is: ‘ik ben te zwaar.’ Dat probleem wordt onderschat in het wielerpeloton.”

Olivier herstelde. In 2014 werd hij vijftiende in de Ronde van Californië, in augustus won hij het jongerenklassement van de Ronde van Burgos. Maar met het succes groeide de angst om te falen. Haalde hij tijdens een training bepaalde waardes niet, dan werd hij boos op zichzelf. „Ik leefde voortdurend in een soort schuld. Mijn hele lijf stond onder spanning. Tegen mijn vrienden deed ik kortaf. Hulp accepteerde ik niet.”

Vorig jaar maart „knapte de snaar” toen hij in een Spaanse wielerkoers onderuitging. „Ik was er zo klaar mee, met fietsen, met deze manier van leven.” Aan alle kanten probeerden mensen hem op andere gedachten te brengen, maar zijn besluit stond vast: per direct was Daan Olivier wielrenner af.

Moeite met prestatiemaatschappij

Hij besloot te gaan studeren, commerciële economie in Leiden. Hij haalde netjes binnen een jaar zijn propedeuse, met een 8,7 gemiddeld. Voor werkstukken zat hij uren in de bibliotheek, pas tevreden met complete boekwerken die gewaardeerd werden met een 10. „Ik legde mezelf wéér die druk op. Dat was nogal confronterend. Hetzelfde zag ik bij mijn medestudenten, bij mensen uit het bedrijfsleven. Jarenlang doen ze iets wat ze niet leuk vinden, enkel en alleen om te presteren. In onze maatschappij word je beoordeeld op wat je doet, niet op wie je bent. Dat vind ik erg lastig.”

Afgelopen zomer vroeg zijn vriend en wielerprof Floris Gerts hem mee op hoogtestage in Italië. Gewoon, om samen lekker te fietsen. Op de laatste dag maakten ze een tocht van zeven uur, in de stromende regen. Hij raakte uitgeput, maar vond het machtig mooi. „Ik fietste weer als liefhebber. Daarvoor ging het alleen maar om presteren.”

Nog in Livigno belde hij met zijn manager. Hij wilde weer koersen. Lotto-Jumbo, met oude bekenden van Rabo, hapte toe. Na een gesprek volgde een aanbieding. Moest hij dit doen, zo snel? „Fuck it. Dit is een second in a lifetime opportunity.

Voortaan accepteert Olivier hulp. Van ploegleider Merijn Zeeman, van sportpsycholoog Marco Hoogerland, van zijn vrienden. Als hij moe is van een training, dan zegt hij dat gewoon. En als hij zich niet fit voelt, stopt hij. Deed hij afgelopen week drie keer. Tegennatuurlijk voor iemand die bang is om te falen. Maar voor hem is het de manier om gelukkig te blijven. In april maakt hij vermoedelijk zijn rentree. Zijn doel is de Ronde van Spanje, als knecht van Steven Kruijswijk. „En voor de rest zien we het wel.”