Als arts is Palestijn geen tweederangs burger in Israël

Israël Joden en Palestijnse Israëliërs trekken zich steeds meer terug in hun eigen gemeenschap. Behalve in het ziekenhuis.

Een Palestijnse verpleger in het Al Alia regeringsziekenhuis op de Westbank in Hebron. Foto Carlos Javier Ortiz/Hollandse Hoogte

In de gangen van het Medisch Centrum Bnai Zion – ‘Zonen van Zion’ – in Haifa staan de namen van geldschieters, zoals op meer plekken in Israël gebruikelijk is. De familie Rothschild heeft bijgedragen, net als de familie Goldschmidt.

Abed Agbaria weet het: hij werkt in een door en door Joods ziekenhuis. Maar dat vindt de Palestijnse Israëliër geen probleem. En zijn werkgever evenmin: de 44-jarige arts werd onlangs benoemd tot hoofd van het Oncologisch Instituut. Zoals in wel meer ziekenhuizen in Haifa, de derde stad van Israël, is een Palestijns afdelingshoofd hier geen bezienswaardigheid.

De trend in de Israëlische maatschappij is dat Joden en Palestijnen zich in toenemende mate terugtrekken in hun eigen gemeenschap. Onderling contact neemt af, Palestijnse Israëliërs leren minder vaak Hebreeuws. De gezondheidszorg is een uitzondering. In de gangen van het Bnai Zion is een substantieel deel van het personeel Palestijns. ,,En niet alleen de schoonmakers”, lacht Agbaria.

Helemaal toevallig is het niet dat Palestijnen, een emanciperende bevolkingsgroep, hun heil zoeken in de medicijnen. Palestijnse ouders willen dat kun kinderen kiezen voor een studie die zekerheid biedt. En weinig studies bieden zo’n baangarantie als geneeskunde, in een land waar een tekort aan artsen heerst.

Zo hebben ook de drie kinderen van Zaher Azzam (56) voor een medisch beroep gekozen. Misschien niet verwonderlijk, gezien de positie van hun vader: Azzam is hoofd van de afdeling interne geneeskunde in het Rambam-ziekenhuis en vicedecaan van de geneeskundefaculteit van de Technion-universiteit, beide in Haifa.

Een trotse vader is hij. Natuurlijk. En toch spijt het Azzam dat zijn kinderen kennelijk geen andere opties zagen.

,,Ze gaan voor zekerheid, prestige. Ze nemen het risico niet. Maar we kunnen niet allemaal dokter worden. Wij Palestijnen zouden over de hele linie onze vaardigheden moeten kunnen tonen.”

Twee keer zo goed

Azzam kan zijn kinderen ook weer geen ongelijk geven. ,,Slechts 2 procent van de docenten op Israëlische universiteiten is Palestijns. Bij geneeskunde is dat 15 of 16 procent. Mijn zoon vraagt me: hoeveel kans maak ik om universitair docent te worden? In andere vakgebieden moet je twee keer zo goed zijn als je Joodse studiegenoten.”

Als geslaagde Palestijns-Israëlische artsen worden Agbaria en Azzam geaccepteerd door hun Joodse landgenoten. Maar helemaal zonder frictie gaat het niet. Als Israël in oorlog is, zoals in 2014 tegen Hamas, wordt er van hen loyaliteit verwacht aan het land waarin ze wonen. Joodse collega’s maken hun impliciet duidelijk dat ze maar beter niet over de slachtoffers in Gaza kunnen praten.

Een van Agbaria’s doelen, zegt hij, is het vooruithelpen van zijn „natie” – waarmee hij doelt op de Palestijnen.

„Wij worden fors gediscrimineerd in Israël. Sommigen kiezen ervoor om achterover te leunen en te huilen vanwege die ongelijkheid. Ik probeer liever het systeem van binnenuit te beïnvloeden.”

En daar zitten ook voordelen aan: zo kan de Israëlische gezondheidszorg zich meten met de wereldtop, aldus de oncoloog.

De meeste Joodse patiënten gaan zonder morren akkoord met een Palestijnse arts aan hun bed. Toch bleek afgelopen voorjaar dat Israëlische ziekenhuizen geregeld Joodse en Palestijnse moeders op de kraamafdeling van elkaar scheiden. Het ultranationalistische Knesset-lid Bezalel Smotrich (Het Joodse Huis) verkondigde dat hij het eens was met deze gescheiden kraamafdelingen. Zijn vrouw wil rust na de bevalling, aldus Smotrich, en niet die „muziek en dans” van Arabische families. Bovendien: die Arabische baby van een bed verderop zou over twintig jaar zijn eigen kindje weleens kunnen willen vermoorden.

Longkanker

Agbaria sprak zich fel uit tegen Smotrich.

„In de gezondheidszorg telt etniciteit niet. Gelukkig waren de meeste Joden dat met me eens. Er zijn zelfs rabbijnen die hun patiënten specifiek naar mij sturen. Als je longkanker hebt in Noord-Israël zegt men: stuur maar naar Agbaria. Of je nou Joods of Palestijns bent.”

Van alle Palestijnse geneeskundestudenten is 62 procent vrouwelijk. „De moeders van de volgende generatie zullen hoogopgeleid zijn”, zegt Agbaria. Zoals het vijftal dat zich verzameld heeft in een computerruimte van het Rambam. Ook zij kozen voor geneeskunde „omdat het makkelijker is” (Bana, 23), „veiliger” (Dianne, 21) en omdat ze in andere sectoren „weinig baankansen” zien (Hajar, 21).

In een samenleving waar Joden privileges genieten vanwege hun etniciteit voelen ook deze studentes zich achtergesteld. Maar, zegt Bana: in de gezondheidszorg is de situatie al veel beter dan bij de overheid. „We zijn nog steeds tweederangsburgers, maar hier zijn we geen tweederangsstudenten.

De studentes werken naar eigen zeggen goed samen met hun Joodse studiegenoten. Wel merken ze in de pauzes en na afloop een verdeling in groepjes naar etniciteit. Dat ligt ook aan henzelf, geven ze toe: het is nu eenmaal prettiger om tussen de colleges door even Arabisch te kunnen praten met gelijkgezinden. Dianne noemt dit zelfs een „nadeel” van de relatief grote hoeveelheid Palestijnen op de faculteit – misschien zou het beter zijn als ze gedwongen werd om steeds Hebreeuws te spreken.

Gemengde huwelijken

En romantische interactie met Joodse medestudenten? Nee, dat sluiten ze uit. Bana kan zich „niet voorstellen” dat ze met een Jood zou gaan. Haar ouders zien haar aankomen, zegt ze. Raza (21) vult aan: „Als je dan kinderen met hem krijgt, moeten die dienen in het Israëlische leger. Dat is voor ons niet aanvaardbaar.” Gemengde huwelijken zijn overigens uiterst zeldzaam in Israël; in een recente opiniepeiling zei 97 procent van de Joden zich „oncomfortabel” te voelen als hun kind met een moslim zou trouwen.

Dat de geneeskundefaculteit in Haifa gevestigd is, noemen de meiden een voordeel. In deze stad, waar een op de tien inwoners Palestijns is, liggen er volgens Dianne „vertrouwde spullen in de supermarkt”. En het is niet ver van hun ouderlijk huis – allemaal komen ze uit Galilea, een landstreek in Noord-Israël waar de Palestijnen in de meerderheid zijn.

En dat is oncoloog Agbaria met hen eens.

„Natuurlijk, je kunt ook negatieve aspecten noemen. Zoals het feit dat in 1948 bijna alle Arabieren uit de stad zijn verjaagd. Maar toch: we hebben hier sinds die tijd samengeleefd. Ik ervaar geen beperkingen in mijn dagelijks leven. Ik kan gewoon Arabisch spreken op straat.”

Er valt genoeg te verbeteren, concludeert hij. „Maar soms moet je ook blij zijn met wat je hebt.”

    • Derk Walters