Recensie

Sjouwen door Amsterdam met een warm gehouden ei in je rugzak

‘Schrijf over eieren’, adviseerde de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector aan een negenjarige schrijfster in spe met wie ze correspondeerde. Dat schreef Hannah van Wieringen in een noot bij het eerste hoofdstuk van haar nieuwe novelle, toen dat onlangs in het literair tijdschrift De Gids verscheen.

Die eigenaardige opdracht om over eieren te schrijven heeft Van Wieringen (1982) zelf opgepakt in haar novelle Prijs de dag voordat de avond valt, waarin we een man volgen die een dag met een ei door Amsterdam sjouwt. Zo’n plot typeert Van Wieringen: ze is wel in voor iets absurds, iets bevreemdends, en wars van volwassen, voldragen verklaringen van het waarom of het doel van zo’n uitgangspunt.

‘IJzerwaren Eddy’, ijzerwarenwinkelier en huurbaas van een stel studentes, vindt het ei onder het bed van een van zijn huursters, als hij bij zijn inspectie van hun studio’s, immer wantrouwig over hun onkreukbaarheid, tot zijn schrik iets anders aantreft dan de gebruikelijke kaarsen, polaroids en plastic badeendjes (‘hij had nooit baden geplaatst, kennelijk was de badeend an sich in de mode, wie dat begreep mocht het zeggen’). Het grote, mintgroene ei doet hem iets: ‘Dit warm gehouden, of opgebaarde ei, ontroerde hem tot onder in zijn maag.’

Hij neemt het mee, in een rugzak vol piepschuimen wokkels en een warme kruik. Hij voelt zich verantwoordelijk – al maakt hij zichzelf wijs dat hij slechts ‘informatie wil inwinnen’ over het ei. Dat verantwoordelijkheidsgevoel is een novum in zijn leven: tot dan toe kenmerkte het zich door gemopper en wantrouwigheid. Zijn lijfspreuk: blijf binnen en houd je gedeisd.

Klinkt als een sprookje, en dat is het ook wel een beetje: Prijs de dag voordat de avond valt verslaat Eddy’s koortsachtige queeste door het centrum van Amsterdam. Als een soort Ebenezer Scrooge beleeft hij eindelijk eens avonturen: hij komt oog in oog te staan met een net overleden gorilla in Artis, belandt per ongeluk bij een peepshow en gaat te biecht bij een zwerfster met een sokpop.

Dat wordt verteld in een smakelijke en oorspronkelijke stijl, vol geestige observaties en gevoel voor absurditeit, iets wat ook al sprak uit Van Wieringens debuut, de verhalenbundel De kermis van Gravezuid (2013). Ook op de langere baan presteert ze nu weer, wat je vooral ziet aan haar secure manier van vertellen. Eddy’s gedachten komen tot ons in een doorlopende, indirecte monologue intérieur, die aanvankelijk vermengd is met een commentaarstem die soms ostentatief afstand neemt, bijvoorbeeld door het woord ‘ostentatief’ te gebruiken – geen Eddy-woord. Dat verandert. Eddy’s reserves smelten weg, de verteller breekt niet meer in en we komen dichter bij hem te staan.

Technisch sterk dus, deze novelle, maar erg een novelle, in zijn beperkte ambitie en reikwijdte en vooral in z’n afgerondheid. Het sprookje gaat één kant op en verliest wat van zijn sprankelende raadselachtigheid. Hoe dan ook: de belofte voor wat Van Wieringen gaat presteren als ze een roman schrijft, is groot.