Recensie

Liever naar de hel dan protestant

Godsdiensttwisten

Lang werd gedacht dat Nederland erg tolerant was tegenover verschillende geloven. Dat is onwaar. Het spreekwoord ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’ is er niet voor niets.

Adriaen van de Venne: De zielenvisserij (fragment) uit 1614. Deze allegorie op de ijverzucht van de verschillende religies hangt in het Rijksmuseum, Amsterdam

Buitenlanders die in de 17de eeuw de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bezochten verbaasden zich over de vele godsdiensten die schijnbaar onbekommerd naast elkaar bestonden. Toch kennen we het spreekwoord ‘Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Dat dit gezegde meer recht van spreken heeft, blijkt uit twee recent verschenen boeken.

Zo gaat het nieuwe boek van de Amerikaanse historicus Craig Harline over vier generaties van de Noord-Nederlandse familie Roeland: een tijdspanne van 130 jaar en een familiegeschiedenis die zich concentreert op het geloof van de elkaar opvolgende stamhouders. En omdat het de periode omvat van hevige godsdiensttwisten in de Lage Landen, van de consolidering van de gereformeerde kerk en de gedeeltelijke uitbanning en discriminatie van de katholieken, moet dit wel spanning en drama opleveren. Temeer daar Harline zich baseert op uitgebreide privé-correspondentie van de hoofdrolspelers en op de dagboeken van de laatste telg van deze gekwelde familie.

Het begon met de Delftse kleermaker Jacob Roeland die omstreeks 1560 overging van het katholieke geloof op het protestantisme. Hij moest met vrouw en zoon het land uit vluchten. Die begaafde zoon, ook Jacob geheten, werd predikant in Amsterdam. Hij behoorde tot de selecte groep geleerden die aan de vertaling van de bijbel werkte, wat in 1637 resulteerde in de Statenbijbel.

Waren deze heren al rechtzinnig en koppig, dat gold helemaal voor de volgende zoon, Timotheus. We volgen deze predikant op zijn pad vol ruzies in Ouderkerk aan de Amstel en Boxtel, waar de protestanten in de minderheid waren. Daar volgde een conflict waar de helft van het boek aan is gewijd.

Timotheus’ zoon heette wederom Jacob en was ook voorbestemd predikant te worden. Daar is het nooit van gekomen. Hij kreeg de katholieke kriebels en raakte, mede dankzij gesprekken met bevriende katholieken en het bestuderen van de kerkvaders in een geloofscrisis. Nog minderjarig bekeerde hij zich tot het katholicisme, wat een schande betekende voor zijn familie, en de positie van zijn vader in Boxtel onhoudbaar maakte.

Koud kamertje

Jacob vluchtte naar Antwerpen. Nu eens huisde hij in een herberg, dan weer in een koud kamertje, dan weer logeerde hij bij de jezuïeten. Zijn vader reisde hem achterna en probeerde hem zelfs te ontvoeren.

Nu volgde een trieste periode. Jacob kreeg een jezuïetenopleiding, maar de verbroken familieband bleef knagen en hij onderhield een intensieve correspondentie met zijn zuster Maria. Die probeerde hem over te halen zijn nieuwe geloof af te zweren en naar huis te komen, maar van verzoening was geen sprake. In alle brieven antwoordde hij dat het katholieke geloof boven alle twijfel verheven was en dat zijn familie een dwaalgeloof aanhing. Jacob heeft zijn familieleden niet meer teruggezien.

Hij woonde in Antwerpen, in Mechelen, reisde naar Rome en op een dag werd hij verkozen om als missionaris naar Brazilië te gaan. En hoewel hij zeer getalenteerd was – hij sprak Nederlands, Duits, Frans, Portugees en las Hebreeuws – trok zijn hart naar de missiepraktijk. Hij wilde niets liever dan de indianen bekeren. Toen hij daar eindelijk toestemming voor kreeg, reisde hij honderden kilometers het binnenland in. In 1669 meldde hij trots dat hij acht indianendorpen had bekeerd.

Ook hier kwam een eind aan; hij werd teruggeroepen en kreeg de kans zijn missiewerk voort te zetten in São Tomé, het Portugese slaveneiland voor de westkust van Afrika. Helaas. In dat ongezonde klimaat hield vrijwel geen Europeaan het vol. Jacob stierf er, in 1684, binnen drie weken.

Behalve de geschiedenis van een predikantenfamilie biedt dit boek ook een overzicht van de worstelende gereformeerde kerk om haar dominante positie te verwerven en te behouden. Dankzij een straffe organisatie wisten ze systematisch greep te houden op de samenleving. Wie erbij wilde horen, wie een ambt wilde bekleden, wie lid van een gilde wilde worden, kon maar beter belijdend lid worden en zich aan de kerkelijke regels houden.

Toen Jacob stierf was de dochter van de protestantse notaris Alberts in Helmond, net twee jaar geworden. Zij is het onderwerp van een studie die grote parallellen vertoont met Harline’s boek. Sophia moet geen braaf meisje zijn geweest. Ze ging naar de smaak van haar ouders te veel om met jongemannen, ze zou uit haar ouderlijk huis hebben gestolen en tot overmaat van ramp: ze wilde katholiek worden.

De conflicten liepen zo hoog op dat ook zij naar het katholieke zuiden vluchtte. De geschiedenis van deze geloofsafval en alle consequenties van dien, is nauwkeurig uitgeplozen door de gemeentearchivaris van Helmond, Henk Roosenboom.

Ook hier was de familie-eer in het geding. Dat Sophia ongehoorzaam was, tastte niet alleen de eer en reputatie van haar vader aan, maar ook die van de kleine protestantse gemeenschap in het overwegend katholieke Helmond.

Op São Tomé hield geen Europeaan het vol. Jacob stierf er na drie weken.

Vader, kerkenraad en classis zochten het dan ook hoger op om de overheden zowel in de Noordelijke als in de Zuidelijke Nederlanden te dwingen Sophia te laten terugkeren. Het argument daarbij was dat zij was ontvoerd door de katholieken. De Staten-Generaal – zo hoog zocht men het op – bevalen zelfs dat katholieken in Helmond gevangen gezet moesten worden en verboden er de katholieke diensten, zolang Sophia niet terugkwam. De katholieken op hun beurt hielden vol dat zij uit eigen vrije wil was vertrokken en vrijwillig tot het ware geloof was overgegaan. Meters papier aan rekesten, verweerschriften, rapporten, memories, ondervragingen zijn vol gepend aan en door politieke, juridische en kerkelijke instanties. Van dominees, pastoors, drossaards, advocaten en zelfs bisschoppen aan toe.

Branden in de hel

Sophia hield stug vol. Ze deelde mee ‘liever in de helle te branden dan geus (dus protestants) te blyven’. Ten slotte trouwde ze, waardoor ze niet langer onderhorig was aan haar vader maar aan haar echtgenoot. Ze vluchtte steeds verder en belandde uiteindelijk met haar man in een plaatsje bij Bordeaux waar ze overleed.

Deze twee boeken geven een indringend beeld van de problematische verhouding tussen protestanten en katholieken. De protestanten met hun strenge controle door de vaak verdeelde kerkenraad, de katholieken als tweederangs burgers, maar allerminst machteloos. Maar hoe hoog de conflicten ook opliepen, hoofden werden niet meer afgehakt.

Beide boeken zijn gegrond op uitvoerig archiefonderzoek, maar verschillen in stijl en aanpak. Harline is levendiger geschreven; hij huldigt het principe van ‘show, don’t tell’. Roosenboom schrijft afstandelijker en geeft meer context en stapt vaak jaren terug in de tijd om zaken te verhelderen. Het zijn beide knappe staaltjes van microgeschiedenis die elk aan de hand van één casus een diep en genuanceerd inzicht biedt in de maatschappelijke en religieuze omstandigheden van drie eeuwen terug. Ze bewijzen ook dat de duivel zijn taak in deze gezinnen uiterst serieus heeft genomen.