‘Ik speelde ruwe stoeispelletjes met Picasso’

Farley Farm

Op de tentoonstelling ‘Gek van Surrealisme’ in Museum Boijmans Van Beuningen zal vanaf februari een deel van de Penrose Collectie te zien zijn. Op bezoek bij Antony Penrose, die de nalatenschap beheert van zijn ouders: fotograaf Lee Miller en schilder Roland Penrose.

De woonkamer van Farleys House in Muddles Green, East Sussez. Foto Tony Tree / lee Miller Archives

Boven het gasfornuis in een witte tegelwand zit een grotere tegel. Een olijk gezichtje kijkt je aan. Het is een echte Picasso, dit stukje keramiek. Ertegenover, boven de keukentafel, hangen twee litho’s, ook van Picasso. Dit is de keuken van Lee Miller – model, fotograaf, muze van kunstenaars – op Farley Farm. Hier bereidde zij haar gastronomische surrealistische gerechten als roze bloemkooltietjes met blauwe ster-bloemblaadjes als tepels voor de kunstenaars die zij en haar man – surrealistisch schilder en verzamelaar – Roland Penrose in hun cottage in het Zuid-Engelse landschap ontvingen in de decennia na de Tweede Wereldoorlog.

Vermaarde kunstenaars als Picasso, Joan Miró, Man Ray, Max Ernst en Henry Moore en zijn vrouw kwamen vanaf eind jaren veertig op deze plek logeren. In Chiddingly in Sussex, een plattelandsgehucht met een kerk, een pub, een paar straten en vooral boerderijen.

Het huis staat er nog steeds zoals het door Penrose en Miller werd bewoond. Vol schilderijen van Penrose en van zijn vader, die een klassiek portretschilder was. Overal in het huis zijn schilderijen, keramiek en sculpturen van de gasten terug te vinden. Een Man Ray boven de schoorsteenmantel, een gedicht van Paul Eluard in het trapgat. Een vitrinekast met sculpturen en keramiek, en daartussen een gemummificeerde rat. Door een gast gevonden op zolder en door het gezelschap direct aangemerkt als kunstwerk. Met om het huis een beeldentuin, waar vroeger de gasten naakt in de zon lagen. Ooit stond in die tuin Moeder en Kind van Henry Moore. Sinds acht jaar is het huis open voor publiek.

Mijn moeder Lee Miller was tijdens mijn jeugd altijd dronken en depressief

In Farley Farm groeide Antony Penrose, hun zoon, op. Nu houdt hij het huis in stand en bestiert hij vanaf hier de collecties van zijn ouders. Het foto-archief van zijn moeder, dat verloren gewaand leek maar dat hij begin jaren tachtig op zolder vond. En de grote collectie surrealistische kunst die zijn vader verzamelde. Een deel daarvan zal vanaf 11 februari in Rotterdam te zien zijn op de tentoonstelling Gek van Surrealisme die het Boijmans Van Beuningen organiseert.

Vermaard fotomodel

Wie waren zijn ouders? Lee Miller (1907-1977) was in de jaren twintig een vermaard fotomodel, dat de cover van de Vogue sierde. Totdat haar beeltenis werd gebruikt voor een advertentie voor Kotex maandverband. Geen adverteerder wilde haar daarna nog inhuren. Miller legde zich toe op fotograferen. Ze trok naar Parijs om het vak te leren van Man Ray, van wie ze muze en minnares werd. Via hem leerde ze de hele kunstenaarsgemeenschap van Parijs kennen, voordat ze met een Egyptische echtgenoot naar Kairo vertrok.

Terug in Parijs kwam ze in 1937 op een feest Penrose tegen, met wie ze een verhouding kreeg. Ze zouden pas trouwen na de oorlog, waarin ze als oorlogsfotografe meetrok in de frontlinie van de Amerikaanse troepen. Ze fotografeerde de landing in Normandië, intocht in Parijs, de bevrijding van Bergen-Belsen en op dezelfde dag maakte ze met collega en minnaar David Scherman beroemde foto’s in het bad van Adolf Hitler in zijn appartement in München.

Penrose (1900-1984), opgeleid als architect, was een niet onverdienstelijk Britse surrealistisch schilder. Maar meer was hij de wegbereider van het surrealisme in Groot-Brittannië en financier van surrealistische projecten. Hij organiseerde in 1936 de eerste grote overzichtstentoonstelling in Londen. In die periode kreeg hij ook de mogelijkheid om voor aantrekkelijke bedragen collecties over te nemen. Hij stond aan de wieg van het Institute of Contemporary Arts in Londen en organiseerde het eerste grote retrospectief voor Picasso in Londen in Tate Gallery in 1960. Hij was ook de eerste biograaf van Picasso.

Mijn nanny, Patsy, heeft mij grootgebracht. Zij was mijn echt mom

Antony Penrose had geen nauwe band met zijn ouders. Zij waren vaak in Londen of op reis, met elkaar of met hun minnaars of minnaressen, terwijl hij in Chiddingly opgroeide. „Mijn nanny, Patsy, heeft mij grootgebracht. Zij is 57 jaar in mijn leven geweest, ze is hier nooit weggegaan. Zij was mijn echte mom. Lee was de eerste twintig jaar altijd dronken en depressief, ze leed aan oorlogstrauma’s. Pas tegen het einde van haar leven zijn we vrienden geworden.”

Maar klagen over zijn jeugd hoor je hem niet. Het was mooi op te groeien op de farm, hij had zijn eigen werkplaats en zijn vader herinnert hij als een vriendelijke, genereuze man, „die niet zo veel van kinderen begreep”.

Met sommige van de kunstenaars had hij een goede band, met anderen minder. Max Ernst vond hij bijvoorbeeld eng „met zijn witte haar” en zijn „very strrrrong German accent”. Man Ray moest niets van hem hebben als klein kind, maar „toen ik een jaar of 14, 15 was kwam ik erachter dat hij een van de meest grappige en genereuze mensen was bij wie ik in de buurt wilde zijn”. Hij was dol op Miró, „die als een kleine boeddhistische monnik heel stil tussen die lawaaiige overdreven mensen ging zitten. Hij bracht zijn grote affiniteit voor dieren op mij over.” En dan was er Picasso over wie hij later het kinderboek The boy who bit Picasso zou schrijven. „Met hem speelde ik allemaal ruwe stoeispelletjes. En ik vond het absoluut magisch om met mijn ouders bij hem op vakantie te gaan in Zuid-Frankrijk. De geur van gips en verf overal, de stapels troep die er stonden.”

Als kind had hij niet in de gaten dat zijn ontmoetingen zo bijzonder waren, het waren gewoon vrienden van zijn ouders. Totdat zijn leraar Frans na een paasvakantie vroeg wat iedereen had gedaan. Toen hij vertelde dat hij naar Nice was geweest, reageerde de leraar verbaasd dat ze daar in het koude seizoen heen gingen. „O, maar wij gingen gewoon naar Picasso”, zei ik. Toen pas realiseerde ik me dat het blijkbaar bijzonder was.”

Rouwen om koeien

Hij werd zelf geen kunstenaar. Hij ging na zijn landbouwstudie drie jaar op wereldreis en werd uiteindelijk boer. Met een veeteeltbedrijf in de omgeving van Farley Farm. Begin jaren tachtig vond zijn vrouw, op zoek naar een kinderfoto, bij toeval op zolder het negatievenarchief van zijn moeder. Met al haar surrealistische werk uit de jaren dertig en haar oorlogsfoto’s. „Niemand wist dat het daar lag. Niemand kende alle verhalen erachter. Lee was heel erg gesloten over haar eigen leven. Waarschijnlijk door het trauma dat ze op haar zevende seksueel misbruikt was, haar hele familie had besloten dat het een geheim moest blijven.”

Hij schreef een boek over zijn moeder en begon fotoboeken uit te geven. Er kwam een reeks exposities met haar werk, waaronder in het Stedelijk in 1992.

Daar kwam het beheer over de collectie van zijn vader bij. „Tegen het einde van zijn leven, vroeg ik hem wat ik met al die werken moest doen. ‘Doe ermee wat je wilt’, was zijn antwoord. Ik vroeg nog of we een vermogensstichting moesten beginnen of alles aan musea moesten schenken. ‘Jij zult zelf weten wat je ermee moet doen’, was alles wat hij zei”, zegt Antony Penrose.

Verkoop van Picasso

Hij verkocht een aantal werken, aan musea. „Ik had het geld nodig. Met een aantal van mijn bedrijven ging het rampzalig. Ik dacht dat als ik groter zou groeien, het beter zou worden. Toen in 1998 de melkprijs inzakte, was het genoeg. Ik verkocht de koeien. Dat deed me veel pijn, ik heb echt gerouwd.” Nu heeft hij ook spijt van de werken die hij heeft verkocht. Huilende vrouw van Picasso bijvoorbeeld, die nu in Tate Modern hangt. „Dat was bloody silly”, zegt hij. En l’Appel de la Nuit (1938) van Paul Delvaux. Hij slaat een afbeelding ervan open in een boek, verzuchtend: „Het is een van mijn favorieten.”

Roland Penrose en Pablo Picasso in het atelier op Farley Farm. Foto Lee Miller / Lee Miller Archives

De opbrengst is niet alleen naar de koeien gegaan. Een deel besteedde hij al aan het opzetten van het Lee Miller Archief en aan het onderhoud van Farley Farm. Het idee om het huis open te stellen, kwam later. Van Patsy, de nanny. „Ik heb een aantal kamers nog als kantoor gebruikt. Zij zei dat het zonde was. Dat het zo goed was achtergebleven, dat andere mensen het ook zouden moeten zien.”

Zo is een kleine onderneming ontstaan om huis en collectie in stand te houden. Eenderde van de inkomsten komt uit auteursrechten, verder wordt er geld verdiend met bruiklenen voor tentoonstellingen, het geven van lezingen, toegangskaartjes en merchandise. „Sinds een paar jaar draaien we quite, daarvoor maakten we altijd verlies. Dat kon ik opvangen met het geld dat resteerde uit die verkopen die ik eerder heb gedaan. Gelukkig hebben we verder niets hoeven verkopen.”

Hij runt het nu samen met Amy, een van zijn dochters, die haar baan een aantal jaren geleden heeft opgezegd. Haar man werkt bij Kimberly-Clark. En toeval of niet, die Amerikaanse multinational is eigenaar van het merk Kotex. „Ik heb wel eens bij hem aangedrongen of hij niet kan vragen om een sponsorschap”, zegt Amy. „Maar hij durft niet. Jammer, het zou zo’n mooi gebaar naar mijn grootmoeder zijn.”