Gevluchte Syriërs kwijnen weg in Jordaans stof

Het is er veiliger dan thuis maar veel Syrische vluchtelingen zijn in Jordanië ongelukkig. Ze doen er de laagst betaalde baantjes of vervelen zich.

Abu Mohammed is met zijn twee gezinnen uit Syrië gevlucht naar Al-Mafraq, Jordanië. In het huis met zijn eerste vrouw wonen zo'n 15 familieleden, in het huis met zijn tweede vrouw ongeveer net zoveel. Foto Lindsey Leger

Meubels zijn er niet. Er liggen alleen wat kussens tegen de kale muren. In de hoek staat een oude tv. Abu Mohammed, die een keffiyeh draagt, steekt een peuk op. Een van zijn zoons levert hem onmiddellijk een asbak. Buiten de voordeur slaapt er een kind op de zanderige grond. De meeste kinderen hier lopen op blote voeten, ook op straat, tussen het vuilnis.

Syriër Abu Mohammed voor zijn huis met zijn eerste vrouw in Al-Mafraq, Jordanië. Foto Lindsey Leger

Abu Mohammed is 48, maar je zou hem moeiteloos tien jaar erbij geven. Gevraagd naar het aantal mensen dat er in dit rijtjeshuis in Al-Mafraq wonen, moet hij even nadenken. Hoeveel kinderen heeft hij eigenlijk? Na enige contemplatie komt hij op elf kinderen die in dit huis wonen, plus een kleinkind – de nakomeling van Abu Mohammeds zeventienjarige zoon.

De familie komt uit Aleppo. Technisch gezien zijn ze geen vluchtelingen, want ze zijn Jordanië op officiële wijze binnengekomen, met paspoorten en al. Daarom hebben ze nooit in het befaamde Zaatari-kamp gezeten; dat is alleen voor illegale vluchtelingen. Maar uiteindelijk zijn ze niet veel beter af: ook zij kunnen voorlopig niet terug naar huis.

Al-Mafraq is een stoffig woestijnstadje in het noorden van Jordanië, op zo’n twintig kilometer van de Syrische grens. Voor de Syrische burgeroorlog telde het zo’n 60.000 inwoners; door alle vluchtelingen is het inwonertal verdubbeld.

Abu Mohammed was hier in 2008 al voor het eerst, voor zaken. Hij zat in de tegelhandel. „Het was goede business.” Nu moeten ze anders zien rond te komen. De oudere kinderen werken op een boerderij. Vanaf een jaar of twaalf gaan ze niet meer naar school.

Tekst gaat verder na de foto’s

A man walks along the road leading into Zaatari Refugee Camp in Mafraq, Jordan, on Nov. 4, 2016.
Thousands of Syrian refugees live in villages just outside Zaatari Refugee Camp near Mafraq city in Jordan, either in tents or apartment buildings. Often 10-15 family members share two rooms, while adults seek out odd jobs in agriculture and construction where they’re less likely to be caught working without a permit.
Three of the Al Obeid family’s children play in the lot next to their tent in Mafraq, Jordan, on Nov. 4, 2016. The Al Obeid family fled Homs, Syria five years ago, and since then have been living on their own in a tent just outside Zaatari Refugee Camp in Mafraq, Jordan. The family receives 50 Jordanian dinars in food vouchers, and receives little other assistance. The family decided to live here instead of Zaatari because Kafaa’s brother lives in the house next door, and was able to help them get electricity.
In Mafraq, Jordan there are several neighborhoods home to Syrians from different cities - one neighborhood is for people from Aleppo, one neighborhood from Homs, another from Damascus. This street is primarily families from Aleppo.
Al-Mafraq, Jordanië.
Foto Lindsey Leger

De Aleppo-wijk

Ze hebben de vluchtelingen uit Aleppo zien komen. Zo veel zelfs dat dit gedeelte van Al-Mafraq officieus bekendstaat als de ‘Aleppo-wijk’ – honderden vluchtelingen die allemaal in deze buurt huizen huren van Jordaniërs. Hoe dat zo gekomen is? Mond-tot-mondreclame, zegt Abu Mohammed. „Wij mensen uit Aleppo houden ervan om samen te leven.

De mensen uit Aleppo zijn anders dan bijvoorbeeld die uit Homs. „Wij zijn sociaal en we passen ons makkelijk aan. En we kunnen beter koken”, zegt Abu Mohammed, die ongeveer de helft van zijn tanden mist.

Maar ja, Aleppo ligt in puin. „Ik kan proberen te koken zoals ik thuis deed, maar de ingrediënten zijn nooit helemaal hetzelfde.” Abu Mohammed begint te snikken, waarna ook zijn kinderen het niet droog houden. „Onze herinneringen aan Aleppo zijn zo dierbaar. Het is een grote gevangenis hier.” Wat er met Aleppo is gebeurd, is „een grote misdaad”, zegt hij.

„De historie is vernietigd, sociale structuren. De gastvrijheid van de mensen.”

De komst van al die Syriërs beïnvloedt grensstadjes als Al-Mafraq diepgaand. Maar waar er in Irbid en Ramtha sprake is van het nodige ressentiment, bloeit Al-Mafraq er juist van op. Doordat het dicht bij het Zaatari-kamp ligt, komen hier ook veel internationale hulpverleners. Er gaan zelfs nieuwe restaurantjes open.

Syrische beenhouwers

Slager Abu Hamad uit Al-Mafraq zag zijn kans schoon om enkele Syrische beenhouwers in dienst te nemen. Ze weten meer van het vak dan Jordaniërs, zegt hij in zijn zaak, te midden van runderkarkassen die ondersteboven in doorzichtige koelkasten bungelen. „En voor hen is het ook goed. Ik betaal een werkvergunning voor ze. Bij mij kunnen ze kunnen 650 euro in de maand verdienen, twee keer zo veel als op het land.” Ook veel van zijn klanten zijn Syriërs, zegt Abu Hamad, een sigaret losjes tussen twee vingers bungelend. „Goeie business.”

Slager Abu Hamad uit Al-Mafraq nam enkele Syrische beenhouwers in dienst. Foto Foto Lindsey Leger

Ongeveer de helft van het laagbetaalde werk in de grensstreek wordt door Syriërs gedaan. Het aantal Jordaniërs dat hierdoor hun baan kwijtraakt, is niet al te groot: het gaat voornamelijk om banen die ze zelf niet willen. De Syriërs verdringen vooral andere immigranten, zoals Egyptenaren, Soedanezen en mensen uit Zuidoost-Azië, van de arbeidsmarkt.

Ook de Grieks-orthodoxe kerk in Al-Mafraq draagt bij aan de opvang: tientallen vluchtelingenkinderen, christenen en moslims, krijgen hier les. Volgens priester Dimitrious Samawi is het voordeel van de Syriërs onder meer culinair van aard: ze brengen „uitstekende shoarma” met zich mee. Maar hij waarschuwt ook: er kan eigenlijk geen vluchteling meer bij. Scholen werken met dubbele lesroosters, opvanglocaties barsten uit hun voegen.

Dat beseft ook de Jordaanse overheid. In Zuidoost-Syrië zitten al maanden zo’n 75.000 Syriërs vast in de grenszone met Jordanië. Ze kunnen niet heen, ze kunnen niet terug en ze krijgen maar mondjesmaat hulp. Onlangs werd er een plan gelanceerd om met een grote kraan hulpgoederen het gebied binnen te takelen. Artsen zonder Grenzen waarschuwde onlangs dat hun toestand snel dreigt de verslechteren door het winterweer.

Ook de 41-jarige Ahmed Cengiz, een Syriër van Turkse komaf, woont in een kaal rijtjeshuis in Al-Mafraq. Hij komt uit Homs. Ook uit die stad, de voormalige ‘hoofdstad van de revolutie’ die sinds 2015 weer in handen is van het Assad-regime, zijn er zo veel vluchtelingen naar Al-Mafraq gekomen dat ze hun eigen informele wijkje hebben gecreëerd. Ahmeds zus woont even verderop.

Tekst gaat verder na de foto’s

Foto’s Lindsey Leger

Kogel in de zij

In oktober 2013 is de familie Cengiz uit Homs vertrokken, „vanwege de bommen”. Hun huis is zwaar beschadigd. Ahmeds vrouw kreeg een kogel in haar zij. Nu leeft het gezin – man, vrouw, vijf kinderen en een grootmoeder – in twee kamers. De tweejarige Hamza rijdt de ruimte binnen in een grote speelgoedauto. Hij is hier geboren.

Het is wel fijn om hier bekenden om je heen te hebben, vindt Cengiz. „Maar dit is geen Homs. Dit is woestijn.” Rondom Homs, dat aan een rivier ligt, is het land vruchtbaarder.

Zelf is Cengiz niet in staat om in Jordanië zijn oude beroep van winkelbediende uit te oefenen. Sommige anderen kunnen wel doen wat ze deden. Kappers bijvoorbeeld. En op de zoldertjes van Al-Mafraq doen de mensen van Homs waar ze om bekend staan: ze maken snoep. Het lekkerste snoep van het hele Midden-Oosten.