De Zuidasrabbijn, voor de yup die zoekt naar zingeving en identiteit

Religie

Rabbijn Yanki Jacobs (28) is spiritueel begeleider van jonge Joodse professionals aan de Amsterdamse Zuidas. „Je kunt mijn werkwijze vergelijken met een start-up. En de synagoge met een gevestigd bedrijf.”

Foto Bram Budel

In een afgesloten kamertje op een ING-kantoor in Amsterdam Zuidoost bevestigt rabbijn Yanki Jacobs (28) gebedsriemen om de armen van Erik Acalay (28). Aan het pak van Acalay bungelt een ING-werknemerspas, achter de gordijnen lunchen zijn collega’s, op oranje kussens te midden van spellen als tafelvoetbal en een levensgroot vier-op-een-rij. Jacobs zegt een gebed in het Hebreeuws, Acalay houdt zijn ogen gesloten.

Toen Acalay drie jaar geleden vanuit Griekenland naar Nederland kwam voor een master software technology, zocht hij ook in zijn nieuwe land verbinding met zijn Joodse wortels. Hij bezocht verschillende synagogen en rabbijnen, zelfs in Maastricht – heen en weer ruim twee uur reizen vanuit zijn toenmalige woonplaats Eindhoven. Hij ontmoette aardige mensen, maar „de connectie”, die voelde hij niet.

Met Jacobs was dat anders. Ze zagen elkaar voor het eerst op een groot sjabbat-diner in het Hilton Hotel in Amsterdam: zo’n tweehonderd aanwezigen, allemaal jong, allemaal uit de zakenwereld, allemaal Joods. „Ik voelde me thuis”, zegt Acalay. Nu ziet hij Jacobs zo’n drie keer per maand, meestal in de lunchpauze op zijn werk. Ze praten over het leven, zijn werk, de Thora en ze bestuderen de Talmoed of de kabbala. Soms bidden ze, al is Acalay niet echt religieus. Voor deze sessies hoeft hij niet te betalen: de activiteiten van Yanki Jacobs worden gefinancierd door giften en fondsen van Nederlandse, Joodse instellingen en particulieren.

Jacobs, zoon van opperrabijn Binyomin Jacobs, richt zich als rabbijn behalve op studenten sinds een paar jaar ook op young professionals: expats en ‘yuppen’ op zoek naar hun roots. Vanuit zijn appartement annex kantoor op de Amsterdamse Zuidas, in het hart van de zakenwereld, reist hij de grote kantoren af om jonge werknemers spiritueel te begeleiden. Hij organiseert netwerkevenementen, vrijdagavonddiners bij hem en zijn vrouw en drie kinderen thuis, en sjoeldiensten met uitleg, zodat ze ook te volgen zijn voor degenen die de tradities niet kennen. Hij staat bekend als ‘de Zuidasrabbijn’.

Hippe koffiezaken

„Veel jonge mensen zijn op zoek naar wat het Jodendom voor hen betekent”, zegt Jacobs. „Maar als ze een synagoge binnenlopen, voelen ze zich ver afstaan van hoe het geloof daar beleden wordt. Ik probeer mezelf in hen te verplaatsen en me te voegen naar hun behoeften. Je kunt mijn werkwijze vergelijken met die van een start-up; de synagoge met een gevestigd bedrijf.”

Lees ook over bedrijfsyoga: Zen op de Zuidas

Dus spreekt hij met mensen af in de hippe zaken waar ze ’s ochtends hun koffie halen. Hij draagt goedzittende pakken, omdat zijn baard en keppel volgens hem al vreemd genoeg gevonden worden – hij wil niet dat mensen zich voor hem schamen. De koosjere maaltijden die hij serveert op diners bereidt hij met zorg. De parasja (de Thoralezing die normaal gesproken in de synagoge plaatsvindt) verspreidt hij elke vrijdag via een videoboodschap van één minuut op Whatsapp. De Thora ziet hij niet als geschiedenis-, maar als zelfhulpboek: „Het leven voor dummies.

Al deze zaken zijn pure marketing, zegt hij. „Ik probeer het Jodendom zo toegankelijk mogelijk te maken, zonder de essentie te veranderen.”

Te nauwe focus

Hij richt zich op de ‘buitenste schil’: mensen die „redelijk ver afstaan van het Jodendom”. Vooral academisch geschoolden, niet per se religieus, op zoek naar identiteit, zingeving en betekenis. „De Joodse gemeenschap is veel groter dan mensen zich realiseren”, denkt Jacobs. „De focus van de gemeenschap ligt op een heel kleine groep: de mensen die toch al naar de synagoge gaan. Als je zo redeneert, hoef je ook niet creatief te zijn in het bloeiend houden van de gemeenschap.”

Voor Acalay voelt het contact met andere jonge Joden uit Europa als „thuiskomen”, zegt hij. „Ze zijn een soort familie, met wie ik kan terugkijken naar waar ik vandaan kom.” Zijn nieuwe sociale contacten vergemakkelijkten de beslissing zich voorlopig in Nederland te vestigen, denkt hij – er kwam een koophuis en een vast contract. Maar nu moet hij snel weg, op naar een volgende afspraak.