De lonen stijgen, maar waar is het geld van de economische groei?

Economie

De lonen zijn in 2016 harder gestegen dan in de afgelopen zeven jaar, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). En de prijzen zijn nauwelijks toegenomen. Dat leidde tot een flinke stijging in koopkracht. Zo plukten burgers de vruchten van het economisch herstel. Maar volgens critici is er ruimte om de lonen nog verder te laten stijgen.

Foto ANP / Koen van Weel

Hoera, de lonen stijgen! In 2016 harder dan in de afgelopen zeven jaar. En de prijzen zijn nauwelijks omhooggegaan. Zo’n groot verschil in de stijging van lonen (plus 1,9 procent) en prijzen (plus 0,3 procent) is uitzonderlijk, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag. In de afgelopen dertig jaar kwam het maar twee keer eerder voor, in 1987 en 2009.

De koopkracht ging er vorig jaar dan ook fors op vooruit, net als het besteedbaar inkomen. Het economisch herstel dat er al jaren is, landt eindelijk in de portemonnee van burgers – lijkt het. Stond het reëel beschikbaar gezinsinkomen tussen 2000 en 2015 bijna stil, de afgelopen jaren groeit het weer fors. Dat komt doordat de lonen stijgen, maar zeker ook doordat de werkloosheid snel daalt. Mensen die vanuit een uitkering een baan vinden, maken in de regel de grootste klapper in inkomen.

Het moet het kabinet verheugen. Op Prinsjesdag was de analyse op het Binnenhof nog voorzichtig: het gaat beter met de economie, maar burgers merken het nog niet genoeg. Is dat nu wel zo en wat zijn de ramingen voor dit jaar?

Minder rooskleurig

Dit jaar ziet er economisch voorlopig ook goed uit, maar als het om lonen en koopkracht gaat zijn de vooruitzichten een stuk minder rooskleurig dan in 2016. De koopkracht stijgt minder: met 0,7 procent tegenover 2,7 procent in 2016, voorspelt het ministerie van Sociale Zaken.

En de inflatie loopt alweer op. In de maand december steeg die fors naar 1 procent, vooral door de stijgende olieprijs. Omdat het doorgaans een half jaar duurt voordat een hogere olieprijs zich vertaalt in hogere elektriciteits- en gasprijzen, zou het goed kunnen dat de inflatie de komende tijd blijft stijgen.

Salarisverwerker ADP voorspelde donderdag dan ook dat de nettolonen dit jaar maar „licht” stijgen. Waarbij de ene groep er veel meer op vooruitgaat – tweeverdieners bijvoorbeeld – dan de andere groep, eenverdieners. De grootste verschillen komen door pensioenpremies en belastingveranderingen. „De gunstige economische berichten van de laatste tijd zie ik zelf nog niet echt terug in de loonstijgingen voor dit jaar”, zegt Dik van Leeuwerden, manager van het Kenniscentrum van ADP. „Waar het geld van de economische groei dan blijft? Ja, dat is een vraag die je zeker kunt stellen”, zegt hij.

De lonen stijgen, maar nog niet genoeg, zegt ook hoogleraar economie Steven Brakman. Het is een analyse die veel breder onder economen en instituten als De Nederlandsche Bank (DNB) klinkt. Brakman: „De lonen stijgen eindelijk, maar te weinig en te laat. Wil je fundamenteel uit de recessie komen, dan is een forsere loonstijging nodig. Want boven het herstel van de economie hangt een donkere wolk. Het herstel wordt vooral gedragen door het geldbeleid van de Europese Centrale Bank en leunt bijvoorbeeld op een fors herstel in de bouwsector. Op de huizenmarkt in Amsterdam is er alweer een zeepbel.”

De economen van DNB trokken in november eenzelfde conclusie: in diverse sectoren is er nog steeds financiële ruimte voor loonstijgingen. DNB gebruikt daarvoor de maatstaf AIQ, de arbeidsinkomensquote. Dat is het deel van het nationaal inkomen dat naar mensen die werken gaat, of ze nou in loondienst zijn of zelfstandig. Die AIQ ligt volgens DNB nog steeds onder het langjarig gemiddelde. Dat betekent dat er verhoudingsgewijs een groot deel van het nationaal inkomen naar winsten van bedrijven gaat. Opmerkelijk genoeg is er vooral

in bedrijfstakken die op het binnenland zijn gericht ruimte voor loonstijging. De lonen zijn vooral achtergebleven in de handel , verhuur en zakelijke diensten, waar bijvoorbeeld uitzendbureaus en schoonmaakbedrijven onder vallen, volgens DNB. Het is ook in deze sectoren waar het aantal flexibele arbeidskrachten het sterkst is gegroeid. Exportbedrijven en de industrie betalen juist meer dan de gemiddelde AIQ.

Vertrouwen

Er is in een aantal sectoren dus ruimte om de lonen te laten stijgen, zeggen economen. Dat is goed voor de economie, want meer loon, betekent meer vertrouwen, breder gedragen groei en nog meer herstel. Maar wie moet dat doen? Wie moet zorgen dat de lonen verder stijgen? Brakman: „Dat moeten de sociale partners doen, vakbonden en werkgevers.”

Ja, makkelijk gezegd, reageren zij. Woordvoerder Jannes van der Velde van werkgeversvereniging AWVN. „Dit is wensdenken omdat men wil dat door hogere bestedingen de economie wordt aangewakkerd. De economen van DNB kijken naar de macro-cijfers. Dat is een werkelijkheid die in de praktijk van werkgevers weinig zegt. Wij redeneren van onderaf.” En daar ziet volgens de AWVN de wereld er anders uit dan twintig jaar geleden. „Er is meer onzekerheid”, zegt Van der Velde. „Wat moeten we verwachten van Trump, van de Brexit en van de groei in China? Conjunctuurcycli lijken elkaar veel sneller op te volgen. Bedrijven kunnen daardoor minder goed plannen, dus moeten ze flexibel kunnen zijn. Ze kunnen niet zomaar de kosten laten stijgen.”

Maar het zijn juist de bedrijfstakken die zich op het binnenland richten waar ruimte is. Die hebben minder te maken met internationale onzekerheden. „Dat komt doordat de op export gerichte bedrijfstakken relatief sterk zijn. Juist de op het binnenland gerichte bedrijfstakken hebben grote problemen gehad de afgelopen jaren.” Ook de FNV vindt dit soort analyses dat de lonen veel meer kunnen stijgen mooi maar weinig realistisch. José Kager van vakbond FNV: „Roepen is één, voor elkaar krijgen is twee. Wij moeten daar keihard voor strijden.” De vakbond is daarbij helder: op de eerste plaats staat werkzekerheid in de cao-onderhandelingen. „Wij willen meer echte banen. Dat geeft echt een stabiel en hoger inkomen. In ruil daarvoor willen wij onze looneis van 2,5 à 3 procent matigen.”