Column

Bij kunst hoort geen gekrijs

Uw zaalwacht heeft in een museum nog nooit zoveel buggy’s en andere kinderwagens geteld als deze week in het Natural History Museum in Londen. Geen moment hoorde ik een kind niét huilen. Onder het skelet van een Triceratops schrok ik op van een vader die zijn kind, van rond de tien jaar oud, in het Spaans streng en vooral luid terecht wees. Daarna nam zijn moeder het over, om het ventje langdurig te troosten. En op de afdeling human body parts boog een suppoost onhandig over een kind dat schreeuwend op zijn rug lag te spartelen.

Geen zorgen, ik zal hier niet over zeuren. Ten eerste was het gewoon druk in het museum. Ten tweede bestaat er al een decennialange, hechte liefdesband tussen kinderen en dinosaurussen. Ten derde: ik nam zelf ook kinderen mee naar het museum.

Zeuren is ook minder interessant dan nagaan hoe het zo is gekomen; want musea begonnen allerminst als instellingen waar een mens zijn kinderen mee naar toe nam.

Frederik Schmidt Degener, directeur van het Rijksmuseum van 1921 tot zijn dood in 1941 (gewoon een hartaanval, niets met de oorlog te maken) had zelfs nog een uitgesproken hekel aan minderjarigen in het museum.

Voor deze ‘zwelgende estheet’ (zoals historicus Wessel Krul de directeur karakteriseerde) stond kunst boven de wetenschap. En zeker boven onderricht. Het museum bood, volgens hem, via kunstobjecten „de ware toegang tot het verleden”. En dus waren musea van het allergrootste belang, voor natie en algeheel geestesleven. Daar hoorden geen kinderen thuis.

Pas toen roe en zweep uit het onderwijs waren verbannen, werden musea geweldige instrumenten om te verleiden tot onderricht. Voor spelenderwijs leren. Dat is mooi, zeg ik de honderden educatieve afdelingen van musea na. Maar daarmee dreigt ook het idee te verdwijnen dat het museum een tempel is van de beschaving waar in een toegewijde stilte wordt gereflecteerd op natuur of cultuur. En dat is niet alleen maar winst.

We hoeven niet alsnog de bombastische teksten die Schmidt Degener over het museum bezigde serieus te nemen. Maar het is wellicht wel netjes het gekraak op te merken dat opstijgt uit zijn graf. Tussen het kindergekrijs door.